Dossier Belastingplan

11-12-2018 - H. ten Hoeve / OSF
Pakket Belastingplan 2019

Het is intussen twee jaar geleden dat wij een afzonderlijk debat hebben gewijd aan een belastingplan, maar nu behandelen wij dan ook het eerste echt eigen belastingplan van dit kabinet. Toch, alhoewel er in een aantal opzichten duidelijke keuzes gemaakt worden door het kabinet m.b.t. de fiscaliteit, is toch ook heel veel nog niet echt duidelijk omdat de grote omslag met het klimaatplan nog moet komen. Maar wat nu voorligt geeft dus wel een richting aan en wat mij betreft moet het dus weer volgens dezelfde criteria beoordeeld worden die ik telkens gebruikt heb om tot een oordeel te komen. Ik kan dus als uitgangspunten herhalen wat ik alle vorige jaren in deze zittingsperiode bij de financiële beschouwingen en bij de belastingplannen als uitgangspunten heb genoemd. Vorig jaar vatte ik dat samen als:

“Mijn uitgangspunten voor een rechtvaardig, effectief en efficiënt systeem van belastingheffing zijn kort gezegd: zo simpel mogelijk, heffen naar draagkracht, bij voorkeur draagkracht in hoofdzaak benaderen per huishouden en niet individueel, extreem hoge inkomens tegengaan, de fiscaliteit niet gebruiken om politieke doelen te bereiken, wel om negatieve externe effecten in het maatschappelijk proces te corrigeren of te compenseren.”

Daar leg ik dus de maatregelen maar naast. Het kabinet blijft, dat was ook niet anders te verwachten, kiezen voor een inkomstenbelasting op individuele inkomens, maar doet in ieder geval iets tegen het voortdurende achterblijven van huishoudens met een éénverdiener. Dat is winst ten opzichte van eerder. De keuze voor een gematigde vlaktaks heb ik eerder verdedigd en zie ik met genoegen gerealiseerd. Het ideaal van “zo simpel mogelijk” is daarmee overigens nog niet bereikt. Zo simpel mogelijk, ook voor de uitvoerende belastingdienst, zou betekenen dat in één simpel belastingsysteem niet alleen heffing maar ook een waarborg voor een sociaal minimum geregeld zou moeten worden. Een systeem dus met een belastingvrije voet die een bestaansminimum garandeert en die gelijk getrokken is met een voor iedereen geldend basisinkomen. Dat klinkt nog steeds idealistisch en onhaalbaar, maar het zou veel problemen oplossen. De noodzaak van allerhande toeslagen en van een aantal sociale regelingen zou vervallen, het zou veel controles overbodig maken en het zou ook de keuze voor belasting naar individu en niet naar huishouden minder ingrijpend maken. Het zou bovendien de erkenning vormen van het feit dat ook wat in onze commerciële maatschappij niet betaald wordt aan menselijke activiteit, maatschappelijk waardevol mag zijn.

Terug naar nu. De keuze voor de gematigde vlaktaks die minder oplevert dan de IB tot nu toe, leidt tot minder belasting op arbeid, maar wordt gecompenseerd door een verhoging van het lage tarief van de btw. Bij de financiële beschouwingen heb ik al aangegeven dat ik een doelstelling van één gemiddeld btw tarief zou steunen en dat de beste manier om daar toe te komen wat mij betreft zou zijn het in eerste instantie beperken van het lage tarief tot alleen echte eerste levensbehoeften. Zoals oorspronkelijk ook de bedoeling was. Daarvoor zou zelfs een nultarief kunnen gelden, wat goed zou aansluiten bij het idee van het basisinkomen en maximaal rekening houdt met lage inkomens. Waar bij de tariefstijging van 6 naar 9 procent gevreesd wordt voor een negatief effect in de grensstreek, zou een tarief van 0 % naast een tarief van bijv. 16 % de verhoudingen daar juist wel eens positief kunnen beïnvloeden. Nog een voordeel: water zou onder het 0 tarief vallen, frisdrank als niet-eerste levensbehoefte onder het 16 % tarief, zodat een voor de volksgezondheid uiterst waardevol neveneffect ontstaat. Misschien kan de staatssecretaris daar eens over peinzen. De keuze die nu gemaakt is, 9% voor een breed scala aan goederen en diensten, is wel een stapje naar één tarief, maar dus niet echt ideaal, niet voor de grensstreek en ook niet voor vaste lage inkomens. Ik kom daar op terug. De gedachte om vlees vanuit klimaatoverwegingen extra te belasten lijkt mij bezwaarlijk via de btw tarieven, maar mogelijk heel goed te bereiken via de slachttax zoals die in de tweede kamer aan de orde is geweest. Dat zou een mogelijkheid bieden om externe kosten van de veehouderij te verrekenen, maar moet dan ingepast worden in het totale landbouwbeleid t.a.v. externaliteiten, dat er overigens nu nog niet of nauwelijks is. De staatssecretaris kan op deze mogelijkheid misschien wat verder op ingaan.

Voorzitter, de tariefmaatregel grondslagverminderende posten en de versnelling van de tariefmaatregel voor de hypotheekrente eigen woning lijken mij verantwoord en dat geldt ook voor de maatregelen m.b.t. de 30% regeling en de correctie van het box2 tarief.

De fiscale vergroeningsmaatregelen, voorzitter, beperken zich nog tot betrekkelijk kleine ingrepen, dus in de toekomst zal daar ongetwijfeld nog veel meer op moeten volgen. Toch zitten daar ook nu al maatregelen tussen, vooral de maatregelen die het energiegebruik duurder gaan maken, die net als de verhoging van het lage tarief btw, de consumenten gevoelig gaan treffen, ook al moet er compensatie ontstaan uit verminderde IB heffing en uit aanpassing van uitkeringen en toeslagen aan de inflatie. Juist bij dit soort maatregelen is het dus noodzakelijk dat wij ons rekenschap geven van de onlustgevoelens die, wel heel expliciet in Frankrijk, maar toch ook bij ons wel echt sterk leven. Het gevoel dat de hoge inkomens ontzien worden, dat bedrijven bijna geen belasting betaling, dat de banken nog steeds geld belangrijker vinden dan eerlijkheid, en dat degenen die er het minst aan kunnen doen het meest moeten bloeden om de staat van geld te voorzien en de planeet te redden. Die gevoelens maken de te nemen maatregelen niet zinloos, integendeel, maar ze noodzaken wel tot het ook nemen van maatregelen die de andere kant op wijzen.

De invorderingsmaatregelen Panama Papers en de Atad1 wetgeving vormen zulke maatregelen die de andere kant op wijzen. Die zijn dan ook hoogst noodzakelijk om te bereiken wat de staatssecretaris zich eerder al eens ten doel stelde, Nederland zo snel mogelijk te verlossen van het imago van belastingparadijs. Dat de regering daarbij ook veel nadruk legt op het aspect van meer gelijke behandeling van eigen en vreemd vermogen lijkt mij nuttig. Het overgebruik van vreemd vermogen leidt tot onverantwoorde speculatie met bedrijven. Maar met ons slechte imago zijn we er dan nog niet. Als Shell geen belasting betaalt in Nederland en Ikea Nederland gebruikt om winst door te sluizen en ze daarbij binnen de wettelijke mogelijkheden blijven, zijn die wettelijke mogelijkheden blijkbaar te ruim en het is de vraag of de nieuwe regels daar een eind aan maken. De staatssecretaris mag daar straks nog wel even op in gaan. In ieder geval is de maatregel waarbij de winst van het niet doorgaan van de afschaffing van de dividendbelasting gestopt wordt in extra verlaging van de vennootschapsbelasting weer een signaal de verkeerde kant uit. Het lijkt mij niet aantoonbaar dat ons vestigingsklimaat een extra boost nodig heeft, integendeel. Waarschijnlijk is niemand tegen het extra stimuleren van het mkb, waarvan het IMF vorige week constateerde dat het dreigt te stagneren, maar extra voordeel gunnen aan de grootste bedrijven lijkt moeilijk te verkopen. Daar zie ik dus ernstige bezwaren, zakelijk, als niet nodig, maar ook maatschappelijk, als ongewenst. We geven bovendien ruimte weg die straks heel nodig zal blijken als de klimaatmaatregels echt geld gaan kosten. Of de Brexit.

Tenslotte, voorzitter, de Wet fiscale maatregel rijksmonumenten en nog even naar de toekomstige vliegbelasting. De keuze om onderhoudskosten van woonhuismonumenten niet langer fiscaal aftrekbaar maar subsidiabel te maken lijkt mij alleszins verantwoord. Het betekent een vereenvoudiging van de belastingheffing, en dat is belangrijk, en het betekent dat onderhoud, in ieder geval van de monumentale aspecten van woonhuismonumenten voor een groter gedeelte vergoed worden dan via de belastingaftrek. Dat in datzelfde verband de SIM subsidie van 50% naar 60% gaat is van groot belang voor de monumentenstichtingen, die vaak erg veel moeite hebben om de vereiste eigen middelen bij elkaar te krijgen. Dat wordt dan hierdoor weer iets makkelijker.

En wat de vliegbelasting betreft, het is een klein begin, dat in geen verhouding staat tot de werkelijke kosten van het vliegen. En nu heel veel landen in West Europa al een dergelijke belasting hebben kan Nederland zich een nieuw experiment veroorloven, maar wordt het ook belangrijk toch te proberen tot een gecoördineerde Europese aanpak te komen. Dat kan via een gezamenlijke vliegbelasting en ook op andere manieren, bijv. door eindelijk kerosine te belasten. Maar in ieder geval moet de bedoeling zijn tot een evenwicht te komen tussen de op te leggen last en de door het vliegen veroorzaakte kosten. En kosten betekent hier bovenal het effect van de CO2 uitstoot. Als wij die Europees op een verantwoorde manier kunnen beprijzen dan moet de luchtvaartsector daarin gewoon meelopen. Trouwens, ook met die CO2 beprijzing kan Nederland er, zolang Europa zover nog niet is, natuurlijk voor kiezen om voorop te gaan lopen in plaats van af te wachten. Maar uiteindelijk winnen beprijzing van externe kosten en trouwens fiscaliteit in het algemeen, in effectiviteit en eerlijkheid, door Europese samenwerking, door het scheppen van een Europees gelijk speelveld.

Voorzitter ik wacht graag de reactie van de staatssecretaris graag af.

21-12-2015 - H. ten Hoeve / OSF
Bijdrage belastingplan

De consequenties van een stem voor of tegen het belastingplan overwegende, kom ik tot de volgende conclusie. Het belastingplan maakt de verdeling van de belastingdruk er niet eerlijker op, integendeel. Maar het resulteert wel in een beperkte koopkrachtstijging of zelfs meer dan dat voor vrijwel iedereen.
Afwijzing van het belastingplan resulteert in een koopkrachtdaling voor vrijwel iedereen. Gelet op de ontwikkeling van de Nederlandse economie denk ik dat het eerste, ondanks al mijn bezwaren, dan toch nog het meest verdedigbare alternatief is. Ik zal graag de reactie van de staatssecretaris horen.

21-12-2015 - H. ten Hoeve / OSF

Voorzitter,
Naar aanleiding van de beantwoording van de staatssecretaris, waarvoor ik hem hartelijk bedank, heb ik nog wel enkele vragen en opmerkingen.

In de eerste plaats het zal duidelijk zijn dat ik er geen voorstander van ben om de inkomstenbelasting te gebruiken om politieke doelen na te streven, maar dat ik liever een neutraal systeem zie dat naar draagkracht belast en dat, naar draagkracht, ook rekening houdt met huishoudenssamenstelling.
Conclusie is dan dat ik er graag op aandring dat de regering opnieuw werk wil maken van een hervorming van het belastingstelsel. Dan gaat het om de inkomstenbelasting maar ook om herziening van het gemeentelijk belastinggebied waar de regering zich al toe verplicht heeft, maar ook bijv. over de erfbelasting. Daar zijn indertijd wel erg grote en in die mate niet verdedigbare verschillen in gebracht tussen vererving van ondernemingsvermogen en ander vermogen.

Ik ben niet de enige die de vraag stelt, maar gaat de staatssecretaris opnieuw aan de slag met het systeem? Wat mij betreft liever dan alleen aan beperkte aanpassingen te denken die in de praktijk vaak meer van hetzelfde opleveren in plaats van een overzichtelijk nieuw begin te vormen. Dit belastingplan bewijst het.

Wanneer wij praten over een echte herziening wijs ik nog eens op het initiatief van de centrumrechtse Finse regering om landelijk te gaan experimenteren met een basisinkomen. In Nederland worden plaatselijk ook experimenten op touw gezet, maar beperkter. In Utrecht wordt een systeem geprobeerd met een basisinkomen voor alleen uitkeringstrekkers. In Finland is de bedoeling om iedereen, ook de werkzame bevolking er in te betrekken en in Zwitserland is iets dergelijks ook in discussie. Ik heb niet de illusie dat wij een echt basisinkomen hier zonder problemen als onderdeel van een nieuw belastingsysteem zomaar zouden kunnen invoeren.

Maar ons sociale bestel geeft aanleiding tot zoveel speciale regelingen dat het zinvol is ons rekenschap te geven van de mogelijkheden om dat allemaal door één generieke regeling te kunnen vervangen. Bij alle maatregelen op het gebied van belastingen, toelagen en uitkeringen werkt uiterste eenvoud en overzichtelijkheid uiteindelijk, in ieder geval het goedkoopst, maar hoogstwaarschijnlijk ook het meest rechtvaardig. Zou de staatsecretaris de komende Finse ervaringen in de gaten willen houden en willen proberen ook uit dit afwijkende model lessen te trekken?

Wat betreft box 3. Wij komen daar natuurlijk in de loop van het jaar op terug, maar als de staatssecretaris beslist verder wil met een systeem dat in principe werkelijk vermogensrendement moet belasten, dan kan hij nu misschien ook wel aangeven hoe hij om wil gaan met het dilemma dat ik vorige week al noemde.
Wil hij nu vermogensinkomen of vermogensaanwas belasten?
Dat maakt verschil. Vermogensinkomen is waarschijnlijk makkelijker vast te stellen dan vermogensaanwas, maar daarop gebaseerde belasting is waarschijnlijk ook makkelijker te ontgaan of tenminste heel lang uit te stellen. Daar hebben we vroeger toch ervaring mee opgedaan? En heeft dat er niet toe geleid dat we gekozen hebben voor een eenvoudig systeem dat eigenlijk niet vermogensinkomsten maar vermogensbezit belast?
Dus ik vraag de staatssecretaris nog maar eens waarom hij voor een problematisch systeem wil kiezen in plaats van voor een simpel systeem. Over de tarieven kun je strijden maar dat een eenvoudige vermogensbelasting onrechtvaardiger is dan een ingewikkelde vermogensrendementsbelasting lijkt mij moeilijk vol te houden.

Ten slotte voorzitter.
De consequenties van een stem voor of tegen het belastingplan overwegende, kom ik tot de volgende conclusie. Het belastingplan maakt de verdeling van de belastingdruk er niet eerlijker op, integendeel. Maar het resulteert wel in een beperkte koopkrachtstijging of zelfs meer dan dat voor vrijwel iedereen.
Afwijzing van het belastingplan resulteert in een koopkrachtdaling voor vrijwel iedereen. Gelet op de ontwikkeling van de Nederlandse economie denk ik dat het eerste, ondanks al mijn bezwaren, dan toch nog het meest verdedigbare alternatief is. Ik zal graag de reactie van de staatssecretaris horen.

14-12-2015 -H. ten Hoeve / OSF
Belastingplan

Voorzitter,
Finland is van plan iedere volwassen Fin een basisinkomen te geven van rond de € 800, en het wordt daarmee, neem ik aan, het eerste land ter wereld dat deze vorm kiest als welvaartstaats-concept. Het lost een hoop problemen op die bij ons geleid hebben tot een onoverzichtelijke belasting- en toeslagenwetgeving en tot uitvoeringsproblemen bij de belastingdienst. En het lost ook een deel van de problemen op die dit jaar vanuit de Christelijke fracties, en naar mijn mening niet ten onrechte, naar voren gebracht zijn.

Het lijkt er op, voorzitter, dat het belastingplan, met alle annexen, en met een novelle, aangenomen gaat worden in dit Huis. Daarmee is voor de regering een probleem uit de wereld, maar daarmee zijn alle in de laatste tijd, ook door mij, geuite bezwaren, niet opgelost. Nu geld stoppen in een algemene ronde koopkrachtbehoud lijkt in een langzaam weer opbloeiende economie en na alle bezuinigingen, verantwoord.

Extra geld in de economie pompen ten gunste van specifieke groepen, werkenden, en vooral werkenden met kinderen, is mooi voor degenen die er van profiteren maar lijkt prematuur nu het niet is ingebed in een complete herziening van het uit de hand gelopen systeem, nu het doel van een structureel begrotingsevenwicht nog niet is bereikt, zelfs verder uit zicht raakt, en nu er bovendien alle reden is om aan te nemen dat ons nog hoge kosten te wachten staan vanuit diverse zowel binnenlandse als buitenlandse problematiek.
De zorg loopt niet goed, voor de justitiesfeer is de extra uitgetrokken 250 miljoen onvoldoende, gas is nog altijd een bedreiging voor Groningen, verantwoordelijkheid nemen voor de EU buitengrenzen gaat meer geld kosten en wat de zogenaamde “oorlog” met IS bij verdere escalatie gaat kosten kon ook nog wel eens tegen vallen.

Wat wij nu met dit belastingplan doen is niet terug naar eenvoud en naar een inkomstenbelasting die gelijke inkomens ook in principe gelijk, maar rekening houdend met draagkrachtverschillen, belast. Nee, wat wij nu doen is juist verder gaan op de weg van de ene anders behandelen dan de andere, vooral werkenden anders dan niet werkenden. Met het argument daarmee het grote probleem van de werkloosheid te willen aanpakken, maar in feite wel wetend dat we op deze manier wel het aanbod van arbeid kunnen opjagen maar er nauwelijks invloed op de werkgelegenheid zelf van uit zal gaan, behalve dan door de algemene bestedingsimpuls die van dit extra geld uitgaat.
Wat we wel najagen is het politiek-maatschappelijke ideaal dat iedereen zijn arbeid op de markt aanbiedt, en waar we dus geen rekening mee willen houden is de vrijheid, maar ook de soms afgedwongen noodzaak binnen leefgemeenschappen om andere keuzes te maken.

Een overzichtelijk en eerlijk stelsel zou niet politiek-maatschappelijke doelstellingen mogen najagen met series wel of niet inkomensafhankelijke heffingskortingen en toelagen. Een overzichtelijk en eerlijk stelsel zou naar mijn overtuiging uit moeten gaan van gelijke belasting van gelijke individuele inkomens, het zou een grote belastingvrije voet of algemene heffingskorting moeten toelaten die overdraagbaar is binnen een duidelijk omschreven levensverband, het mag van mij boven de vrije voet een uniform tarief hanteren met alleen een duidelijk hoger tarief voor duidelijk hogere inkomens.

Daar van uitgaande is er dus nog wel werk aan de winkel en bij het aanpakken van dat grote werk zal het handig, ja onvermijdelijk zijn, dat er dan niet alleen klein geld maar ook groot geld aanwezig is om veranderingen door te kunnen voeren.

Dat geldt zeker ook wanneer we bijvoorbeeld de laatste grote stap willen doen in de fiscalisering van de AOW. Dat is iets wat het systeem eenvoudiger en eerlijker maakt omdat dan AOW inkomen gewoon behandeld kan worden als ander inkomen en AOW’ers dus ook als andere mensen, maar dat wel grote consequenties heeft.
En het probleem momenteel is nu juist al dat de inkomens van ouderen al jaren onder druk staan en zullen blijven staan door het achterwege blijven van pensioenindexering. Dat kómt niet door de belastingheffing maar het is wel terecht dat gevraagd wordt in de belastingheffing, ook meer structureel dan alleen voor één jaar, rekening te houden met deze zich bijna als een slopende ziekte voltrekkende calamiteit. Fiscalisering AOW is redelijk, maar niet zonder meer mogelijk.

Overigens kan het alternatief voor de onderkant van het systeem natuurlijk het kiezen voor het basisinkomen wezen, wat de AOW eigenlijk ook al is. Dat lost immers ook nog alle verzilveringsproblematiek in een klap op en het maakt allerhande toeslagen overbodig. Wel een aantrekkelijk, maar in eerste instantie natuurlijk niet makkelijk alternatief. Toch de moeite waard om over te gaan denken, staatssecretaris?
De Finnen lijken het te kunnen!

Een reëel probleem van lange adem, het belastingplan noemt het terecht, is natuurlijk de te grote wig tussen netto-arbeidsloon en totale werkgeverskosten. Daarin speelt de loonbelasting natuurlijk een rol, maar toch ook de doorgeschoten verantwoordelijkheid van de werkgever voor zieke en arbeidsongeschikt geworden werknemers. Of de Wet Tegemoetkomingen Loondomein en de daarin opgenomen LIV echt zoden aan de dijk kunnen zetten voor de positie van de lage inkomensgroepen, meer dan de tot nu toe gehanteerde regelingen, lijkt mij voorlopig nog de vraag, maar aandacht voor deze groepen is niet overbodig.
Daarmee komen we dan bij de regelingen die niet voor het komende jaar bedoeld zijn, maar vooruitgrijpen naar 2017. En dus ook bij de omstreden regeling voor box 3.

Natuurlijk is de kritiek terecht dat een dergelijk ingrijpende verbouwing van de regeling een aparte behandeling vraagt en niet zo maar als klein onderdeel van het totaal plan aangeboden had mogen worden. Niet alleen dus omdat hiermee in het plan 2016 een voorschot op 2017 genomen wordt, maar ook omdat het om een principiële aanpassing van een belangrijk deel van het systeem van inkomstenbelasting gaat, wat betekent dat hier meer over gezegd moet kunnen worden dan over, soms ook wel ingrijpende, verschuivingen in bedragen en percentages van belastingschijven, kortingen en toeslagen. Ik ga er maar van uit dat over dit onderdeel van het belastingplan nog wel een keer verder gesproken zal worden voordat deze regeling echt geldigheid krijgt. Daar is ook nog een jaar de tijd voor.

Toch een korte beschouwing hierover.
De huidige regeling krijgt terecht veel kritiek. Voor houders van spaarrekeningen betekent het dat het belastingpercentage hoger is dan het rentepercentage en dat elk procent inflatie het verlies voor de spaarder nog groter maakt. Het voorgestelde systeem waarbij fictie op fictie gestapeld wordt zal niemand echt bevallen. Alleen van de kleine spaarder kun je veilig zeggen dat hij/zij er in ieder geval beter van zal worden al is het fictieve rendement nog altijd veel hoger dan het waarschijnlijke feitelijke rendement. Als het zo moeilijk is om echt gerealiseerde vermogensrendementen te traceren, en er dan trouwens ook nog de keuze gemaakt moet worden of er belasting geheven moet gaan worden over vermogensinkomsten of over vermogensaanwas, ook geen eenvoudige vraag, waarom maken wij het onszelf dan niet makkelijker.

De huidige regeling is naar de vorm een belasting op vermogensinkomsten, maar feitelijk een belasting van 1,2% op vermogensbezit. Is er eigenlijk iets op tegen om er dan ook maar gewoon echt en formeel een vermogensbelasting van te maken?
Met een wat grotere vrije voet dan nu geldt, en met een bescheiden maar progressief tarief komt mij dat voor als duidelijk, goed controleerbaar, weinig bezwaarmogelijk-heden opleverend, en ten slotte, zeker ook niet oneerlijk. Is de staatssecretaris dat met mij eens of wil hij het graag moeilijker hebben?
En mocht dat zo zijn, lijkt hem dat dan rechtvaardiger?
Voorzitter, ik hoor graag het commentaar van de staatssecretaris op de diverse punten.

13-12-2015 - Pakket Belastingplan 2017
H. ten Hoeve / OSF

Voorzitter,

Minder dan vorig jaar is het belastingplan dit jaar controversieel. Afgezien van een groot aantal vrij technische details waar ik mij geen oordeel aanmatig en die ik graag overlaat aan de echte deskundigen in dit debat, komt het pakket beter tegemoet aan de vorig jaar ook door mij naar voren gebrachte kritiek. De fiscale bevoordeling van werkenden gaat iets terug, andere groepen krijgen wat meer ruimte. Dat is een stapje, maar eigenlijk ook niet meer dan dat, in de richting van een belastingheffing puur op draagkracht, zonder vermenging met andere politieke doelen.

Daarmee ben ik dan weer bij de uitgangspunten die voor mij zouden moeten gelden voor een rechtvaardig, effectief en efficiënt systeem van inkomensbelasting. Bij het belastingplan van vorig jaar ben ik daar op in gegaan, bij de Algemene financiële beschouwingen van dit jaar opnieuw, en het heeft dus geen zin om dat opnieuw uitgebreid te doen. Heel kort dus: zo simpel mogelijk, heffen naar draagkracht, bij voorkeur draagkracht in hoofdzaak benaderen per huishouden en niet individueel, extreem hoge inkomens tegengaan, de fiscaliteit niet gebruiken om politieke doelen te bereiken, eventueel wel om negatieve externe effecten in het maatschappelijk proces te corrigeren of te compenseren. Een vernieuwd belastingsysteem heeft dit kabinet niet voor elkaar kunnen krijgen, van het volgende kabinet zou ik dat heel graag wel verwachten. Daarbij kan wat mij betreft het boxensysteem best in gebruik blijven. Dat geeft, nu en ook in de toekomst, een goede basis om belasting naar individu en naar huishouding op een overzichtelijke manier te kunnen combineren.

Er zijn twee zaken waarvan het nuttig kan zijn om daarover een mening te geven en die het dus zinvol maken om aan dit debat mee te doen, ook al heeft dat niet direct invloed op het belastingplan voor het komende jaar.

Wat betreft box 3 lijken wij voor 2017 wel vast te zitten aan het vorig jaar aangenomen plan om naar vermogensomvang, per schijf, met verschillende percentages vermogensaanwas forfaitair vast te stellen. Op de uitwerking van dat systeem is vorig jaar al heel wat kritiek geoefend. Voor vermogens onder de 100.000 is de forfaitair bepaalde renteopbrengst natuurlijk nog steeds veel hoger dan in feite aan rente verkregen wordt, voor de hogere schijven is degene die voornamelijk in spaargeld belegd, en dat zijn er heus heel wat heel gewone mensen, altijd de pineut. En voor wie anders belegt is het maar de vraag hoe het uitpakt. Conclusie: het is voor nu blijkbaar onvermijdelijk maar langer dan één jaar mag dit systeem niet gelden.

De alternatieven voor een definitieve regeling die de staatssecretaris heeft aangeboden in zijn brief van 27 september stemmen niet heel tevreden. De varianten A en B, die uitgaan van het bepalen van de werkelijke vermogenswinst dan wel vermogensaanwas vergen, misschien afgezien van goed traceerbare spaartegoeden, veel inzet van belastingdienst en ketenpartners om tot vaststelling van de werkelijke rendementen te komen, zeker waar veel wisseling in beleggingen plaats vinden. En voor onroerend goed is ook in dat geval nog steeds forfaitaire benadering van het rendement nodig. Dit lijkt niet aantrekkelijk: weer een zware opgave er bij voor de belastingdienst en veel werk voor banken en anderen.

Variant C gaat terug naar het systeem van (volledig) forfaitaire vaststelling van rendementen, maar dan wel per vermogenscategorie. Dat lijkt beter hanteerbaar, wijkt verder af van de eigenlijk gewenste belasting van werkelijk rendement en heeft het probleem dat aanpassing van de vermogensbestanddelen voor de peildatum aantrekkelijk kan zijn om daarmee belasting te besparen. Bovendien, en dat is natuurlijk ook geen gering nadeel, de belastingopbrengst wordt aanzienlijk minder voorspelbaar en kan sterk fluctueren. Datzelfde geldt trouwens voor alle drie de varianten.

Vanwege de noodzaak van eenvoud en transparantie zou ik de staatssecretaris aanbevelen om te kiezen voor variant C. Maar als wij eigenlijk ook nog voorspelbaarheid als criterium zouden willen hanteren, dan val ik terug op wat ik vorig jaar ook uitdrukkelijk heb gesuggereerd, nl. kies niet voor een vermogensrendementsbelasting, maar eenvoudig voor een vermogensbelasting. Bepaal een heffingvrij vermogen dat duidelijk hoger ligt dan het huidige en stel een percentage vermogensbelasting vast van tussen 1,2 en 1,5% voor het te belasten vermogen. Dan hebben we eenvoud, transparantie en voorspelbaarheid, zowel voor de belastingbetaler als voor de fiscus. En vermogensbezit, als het om grotere vermogens gaat, lijkt mij een alleszins verdedigbare grond voor belastingheffing. Bovendien hebben we dat in feite tot nu toe ook gedaan.

Het tweede punt, de NRC van 8 december. Nederland sluit nog altijd veel geheime belastingdeals met multinationals, staat in een nieuw Europees rapport waaraan de Nederlandse onderzoeksstichting SOMO heeft meegewerkt. En : “ Nederland heeft in eigen land bitter weinig gedaan om zijn rol als facilitator van belastingontwijking aan te pakken” aldus Jasper van Teffelen van SOMO. En ook Footboll-leaks toont ons weer de echte belastingparadijzen, in de Caraïben bijvoorbeeld, maar ook de rol van Nederland om daar echt gebruik van te kunnen maken. En dat modeketen Zara van Nederland gebruik lijkt te hebben gemaakt om elders te weinig belasting te betalen is al weer een nieuw schandaal in de eindeloze reeks. En tenslotte werd Nederland gisteren ook nog door Oxfam Novib aan de schandpaal genageld. Er lijkt wel echt, nog steeds, iets grondig mis te zijn.

Niet alleen Nederland maar alle landen proberen natuurlijk via het regiem van hun winstbelastingen bedrijven aan zich te binden, niet qua werkzaamheden (ook mooi natuurlijk), maar allereerst qua financiën. Daar helpt blijkbaar echt maar één ding tegen, gelijkschakeling van de systematieken van belastingheffing over zo veel mogelijk landen. Allereerst dus binnen de EU. Geen mogelijkheden meer voor slimmigheidjes. Daar liggen plannen voor klaar. Ik noemde dat tijdens de Algemene Financiële Beschouwingen en ik noem het nu met nadruk weer: CCTB, eventueel uit te breiden tot CCCTB. Is de staatssecretaris niet met mij eens dat daarmee een eind te maken is aan het oneigenlijk aantrekken van belastinginkomsten en daardoor aan het beperken van de totale belastingverplichtingen van nota bene vooral de meest kapitaalkrachtige instellingen en particulieren? De Tweede Kamer heeft over deze voorstellen een subsidiariteitbezwaar uitgesproken en hier komt dat ook nog aan de orde, maar zou de staatssecretaris daar toch niet positiever over willen denken dan tot nu toe gebleken is?

CCCTB laat onverlet de vaststelling van tarieven voor de winstbelasting. Want natuurlijk valt dat onder de soevereiniteit van de staat, ónze eigen dierbare staat. En tariefverschillen tussen staten kunnen zeker verdedigd worden door de verschillen in alle mogelijke andere vestigingsplaatsfactoren, die kunnen noodzaken tot relatief lage tarieven of juist de mogelijkheid kunnen bieden tot relatief hoge tarieven. Maar net als in de bepaling van de belastinggrondslagen ontwikkelt zich natuurlijk ook in de tariefstelling wel heel makkelijk een neiging tot ongebreidelde concurrentie die tenslotte bij iedereen ten koste gaat van de opbrengsten. Zou het stellen van een minimumtarief in Europa, zoals ook bij de btw, daar een dam tegen kunnen opwerpen, vraag ik de staatssecretaris. Wat vindt hij daar van?

Tenslotte nog twee vragen. Een beetje aansluitend bij het laatste punt: het Slowaakse EU voorzitterschap is het niet gelukt de tweede versie van de de Anti-tax avoidance directive (ATAD) voor 1 januari rond te krijgen. Er liggen nog problemen m.b.t. gevraagde uitzonderingen voor de financiële sector maar een extra probleem is blijkbaar ook nog dat Nederland niet eerder dan in 2024 bereid is deze verordening te implementeren. Misschien kan de staatssecretaris vertellen wat daar nu eigenlijk aan de hand is?

En als laatste, de staatssecretaris beloofde mij, de evaluatie van de heffing op extreme gouden handdrukken toe te sturen aan deze Kamer. Die heb ik nog niet gezien. Wanneer mogen wij die evaluatie verwachten of heb ik iets gemist?

Voorzitter, ik verwacht graag de beantwoording door de staatsecretaris.