Deze website maakt gebruik van cookies. Door uw bezoek gaat u akkoord met het plaatsen van deze cookies.
Uitleg over cookies, met een link naar de pagina met privacy beleid Meer informatie Sluiten

Onafhankelijke SenaatsFractie

De OSF is een platform van onafhankelijke provinciale partijen

Kernwaarden: kleinschaligheid en de menselijke maat.
De politiek bestaat om de burger te dienen en niet andersom.

Dossier Belastingplan

13-12-2015
Pakket Belastingplan 2017
H. ten Hoeve / OSF

Voorzitter,

Minder dan vorig jaar is het belastingplan dit jaar controversieel. Afgezien van een groot aantal vrij technische details waar ik mij geen oordeel aanmatig en die ik graag overlaat aan de echte deskundigen in dit debat, komt het pakket beter tegemoet aan de vorig jaar ook door mij naar voren gebrachte kritiek. De fiscale bevoordeling van werkenden gaat iets terug, andere groepen krijgen wat meer ruimte. Dat is een stapje, maar eigenlijk ook niet meer dan dat, in de richting van een belastingheffing puur op draagkracht, zonder vermenging met andere politieke doelen.

Daarmee ben ik dan weer bij de uitgangspunten die voor mij zouden moeten gelden voor een rechtvaardig, effectief en efficiënt systeem van inkomensbelasting. Bij het belastingplan van vorig jaar ben ik daar op in gegaan, bij de Algemene financiële beschouwingen van dit jaar opnieuw, en het heeft dus geen zin om dat opnieuw uitgebreid te doen. Heel kort dus: zo simpel mogelijk, heffen naar draagkracht, bij voorkeur draagkracht in hoofdzaak benaderen per huishouden en niet individueel, extreem hoge inkomens tegengaan, de fiscaliteit niet gebruiken om politieke doelen te bereiken, eventueel wel om negatieve externe effecten in het maatschappelijk proces te corrigeren of te compenseren. Een vernieuwd belastingsysteem heeft dit kabinet niet voor elkaar kunnen krijgen, van het volgende kabinet zou ik dat heel graag wel verwachten. Daarbij kan wat mij betreft het boxensysteem best in gebruik blijven. Dat geeft, nu en ook in de toekomst, een goede basis om belasting naar individu en naar huishouding op een overzichtelijke manier te kunnen combineren.

Er zijn twee zaken waarvan het nuttig kan zijn om daarover een mening te geven en die het dus zinvol maken om aan dit debat mee te doen, ook al heeft dat niet direct invloed op het belastingplan voor het komende jaar.

Wat betreft box 3 lijken wij voor 2017 wel vast te zitten aan het vorig jaar aangenomen plan om naar vermogensomvang, per schijf, met verschillende percentages vermogensaanwas forfaitair vast te stellen. Op de uitwerking van dat systeem is vorig jaar al heel wat kritiek geoefend. Voor vermogens onder de 100.000 is de forfaitair bepaalde renteopbrengst natuurlijk nog steeds veel hoger dan in feite aan rente verkregen wordt, voor de hogere schijven is degene die voornamelijk in spaargeld belegd, en dat zijn er heus heel wat heel gewone mensen, altijd de pineut. En voor wie anders belegt is het maar de vraag hoe het uitpakt. Conclusie: het is voor nu blijkbaar onvermijdelijk maar langer dan één jaar mag dit systeem niet gelden.

De alternatieven voor een definitieve regeling die de staatssecretaris heeft aangeboden in zijn brief van 27 september stemmen niet heel tevreden. De varianten A en B, die uitgaan van het bepalen van de werkelijke vermogenswinst dan wel vermogensaanwas vergen, misschien afgezien van goed traceerbare spaartegoeden, veel inzet van belastingdienst en ketenpartners om tot vaststelling van de werkelijke rendementen te komen, zeker waar veel wisseling in beleggingen plaats vinden. En voor onroerend goed is ook in dat geval nog steeds forfaitaire benadering van het rendement nodig. Dit lijkt niet aantrekkelijk: weer een zware opgave er bij voor de belastingdienst en veel werk voor banken en anderen.

Variant C gaat terug naar het systeem van (volledig) forfaitaire vaststelling van rendementen, maar dan wel per vermogenscategorie. Dat lijkt beter hanteerbaar, wijkt verder af van de eigenlijk gewenste belasting van werkelijk rendement en heeft het probleem dat aanpassing van de vermogensbestanddelen voor de peildatum aantrekkelijk kan zijn om daarmee belasting te besparen. Bovendien, en dat is natuurlijk ook geen gering nadeel, de belastingopbrengst wordt aanzienlijk minder voorspelbaar en kan sterk fluctueren. Datzelfde geldt trouwens voor alle drie de varianten.

Vanwege de noodzaak van eenvoud en transparantie zou ik de staatssecretaris aanbevelen om te kiezen voor variant C. Maar als wij eigenlijk ook nog voorspelbaarheid als criterium zouden willen hanteren, dan val ik terug op wat ik vorig jaar ook uitdrukkelijk heb gesuggereerd, nl. kies niet voor een vermogensrendementsbelasting, maar eenvoudig voor een vermogensbelasting. Bepaal een heffingvrij vermogen dat duidelijk hoger ligt dan het huidige en stel een percentage vermogensbelasting vast van tussen 1,2 en 1,5% voor het te belasten vermogen. Dan hebben we eenvoud, transparantie en voorspelbaarheid, zowel voor de belastingbetaler als voor de fiscus. En vermogensbezit, als het om grotere vermogens gaat, lijkt mij een alleszins verdedigbare grond voor belastingheffing. Bovendien hebben we dat in feite tot nu toe ook gedaan.

Het tweede punt, de NRC van 8 december. Nederland sluit nog altijd veel geheime belastingdeals met multinationals, staat in een nieuw Europees rapport waaraan de Nederlandse onderzoeksstichting SOMO heeft meegewerkt. En : “ Nederland heeft in eigen land bitter weinig gedaan om zijn rol als facilitator van belastingontwijking aan te pakken” aldus Jasper van Teffelen van SOMO. En ook Footboll-leaks toont ons weer de echte belastingparadijzen, in de Caraïben bijvoorbeeld, maar ook de rol van Nederland om daar echt gebruik van te kunnen maken. En dat modeketen Zara van Nederland gebruik lijkt te hebben gemaakt om elders te weinig belasting te betalen is al weer een nieuw schandaal in de eindeloze reeks. En tenslotte werd Nederland gisteren ook nog door Oxfam Novib aan de schandpaal genageld. Er lijkt wel echt, nog steeds, iets grondig mis te zijn.

Niet alleen Nederland maar alle landen proberen natuurlijk via het regiem van hun winstbelastingen bedrijven aan zich te binden, niet qua werkzaamheden (ook mooi natuurlijk), maar allereerst qua financiën. Daar helpt blijkbaar echt maar één ding tegen, gelijkschakeling van de systematieken van belastingheffing over zo veel mogelijk landen. Allereerst dus binnen de EU. Geen mogelijkheden meer voor slimmigheidjes. Daar liggen plannen voor klaar. Ik noemde dat tijdens de Algemene Financiële Beschouwingen en ik noem het nu met nadruk weer: CCTB, eventueel uit te breiden tot CCCTB. Is de staatssecretaris niet met mij eens dat daarmee een eind te maken is aan het oneigenlijk aantrekken van belastinginkomsten en daardoor aan het beperken van de totale belastingverplichtingen van nota bene vooral de meest kapitaalkrachtige instellingen en particulieren? De Tweede Kamer heeft over deze voorstellen een subsidiariteitbezwaar uitgesproken en hier komt dat ook nog aan de orde, maar zou de staatssecretaris daar toch niet positiever over willen denken dan tot nu toe gebleken is?

CCCTB laat onverlet de vaststelling van tarieven voor de winstbelasting. Want natuurlijk valt dat onder de soevereiniteit van de staat, ónze eigen dierbare staat. En tariefverschillen tussen staten kunnen zeker verdedigd worden door de verschillen in alle mogelijke andere vestigingsplaatsfactoren, die kunnen noodzaken tot relatief lage tarieven of juist de mogelijkheid kunnen bieden tot relatief hoge tarieven. Maar net als in de bepaling van de belastinggrondslagen ontwikkelt zich natuurlijk ook in de tariefstelling wel heel makkelijk een neiging tot ongebreidelde concurrentie die tenslotte bij iedereen ten koste gaat van de opbrengsten. Zou het stellen van een minimumtarief in Europa, zoals ook bij de btw, daar een dam tegen kunnen opwerpen, vraag ik de staatssecretaris. Wat vindt hij daar van?

Tenslotte nog twee vragen. Een beetje aansluitend bij het laatste punt: het Slowaakse EU voorzitterschap is het niet gelukt de tweede versie van de de Anti-tax avoidance directive (ATAD) voor 1 januari rond te krijgen. Er liggen nog problemen m.b.t. gevraagde uitzonderingen voor de financiële sector maar een extra probleem is blijkbaar ook nog dat Nederland niet eerder dan in 2024 bereid is deze verordening te implementeren. Misschien kan de staatssecretaris vertellen wat daar nu eigenlijk aan de hand is?

En als laatste, de staatssecretaris beloofde mij, de evaluatie van de heffing op extreme gouden handdrukken toe te sturen aan deze Kamer. Die heb ik nog niet gezien. Wanneer mogen wij die evaluatie verwachten of heb ik iets gemist?

Voorzitter, ik verwacht graag de beantwoording door de staatsecretaris.

21-12-2015
H. ten Hoeve / OSF

Voorzitter,
Naar aanleiding van de beantwoording van de staatssecretaris, waarvoor ik hem hartelijk bedank, heb ik nog wel enkele vragen en opmerkingen.

In de eerste plaats het zal duidelijk zijn dat ik er geen voorstander van ben om de inkomstenbelasting te gebruiken om politieke doelen na te streven, maar dat ik liever een neutraal systeem zie dat naar draagkracht belast en dat, naar draagkracht, ook rekening houdt met huishoudenssamenstelling.
Conclusie is dan dat ik er graag op aandring dat de regering opnieuw werk wil maken van een hervorming van het belastingstelsel. Dan gaat het om de inkomstenbelasting maar ook om herziening van het gemeentelijk belastinggebied waar de regering zich al toe verplicht heeft, maar ook bijv. over de erfbelasting. Daar zijn indertijd wel erg grote en in die mate niet verdedigbare verschillen in gebracht tussen vererving van ondernemingsvermogen en ander vermogen.

Ik ben niet de enige die de vraag stelt, maar gaat de staatssecretaris opnieuw aan de slag met het systeem? Wat mij betreft liever dan alleen aan beperkte aanpassingen te denken die in de praktijk vaak meer van hetzelfde opleveren in plaats van een overzichtelijk nieuw begin te vormen. Dit belastingplan bewijst het.

Wanneer wij praten over een echte herziening wijs ik nog eens op het initiatief van de centrumrechtse Finse regering om landelijk te gaan experimenteren met een basisinkomen. In Nederland worden plaatselijk ook experimenten op touw gezet, maar beperkter. In Utrecht wordt een systeem geprobeerd met een basisinkomen voor alleen uitkeringstrekkers. In Finland is de bedoeling om iedereen, ook de werkzame bevolking er in te betrekken en in Zwitserland is iets dergelijks ook in discussie. Ik heb niet de illusie dat wij een echt basisinkomen hier zonder problemen als onderdeel van een nieuw belastingsysteem zomaar zouden kunnen invoeren.

Maar ons sociale bestel geeft aanleiding tot zoveel speciale regelingen dat het zinvol is ons rekenschap te geven van de mogelijkheden om dat allemaal door één generieke regeling te kunnen vervangen. Bij alle maatregelen op het gebied van belastingen, toelagen en uitkeringen werkt uiterste eenvoud en overzichtelijkheid uiteindelijk, in ieder geval het goedkoopst, maar hoogstwaarschijnlijk ook het meest rechtvaardig. Zou de staatsecretaris de komende Finse ervaringen in de gaten willen houden en willen proberen ook uit dit afwijkende model lessen te trekken?

Wat betreft box 3. Wij komen daar natuurlijk in de loop van het jaar op terug, maar als de staatssecretaris beslist verder wil met een systeem dat in principe werkelijk vermogensrendement moet belasten, dan kan hij nu misschien ook wel aangeven hoe hij om wil gaan met het dilemma dat ik vorige week al noemde.
Wil hij nu vermogensinkomen of vermogensaanwas belasten?
Dat maakt verschil. Vermogensinkomen is waarschijnlijk makkelijker vast te stellen dan vermogensaanwas, maar daarop gebaseerde belasting is waarschijnlijk ook makkelijker te ontgaan of tenminste heel lang uit te stellen. Daar hebben we vroeger toch ervaring mee opgedaan? En heeft dat er niet toe geleid dat we gekozen hebben voor een eenvoudig systeem dat eigenlijk niet vermogensinkomsten maar vermogensbezit belast?
Dus ik vraag de staatssecretaris nog maar eens waarom hij voor een problematisch systeem wil kiezen in plaats van voor een simpel systeem. Over de tarieven kun je strijden maar dat een eenvoudige vermogensbelasting onrechtvaardiger is dan een ingewikkelde vermogensrendementsbelasting lijkt mij moeilijk vol te houden.

Ten slotte voorzitter.
De consequenties van een stem voor of tegen het belastingplan overwegende, kom ik tot de volgende conclusie. Het belastingplan maakt de verdeling van de belastingdruk er niet eerlijker op, integendeel. Maar het resulteert wel in een beperkte koopkrachtstijging of zelfs meer dan dat voor vrijwel iedereen.
Afwijzing van het belastingplan resulteert in een koopkrachtdaling voor vrijwel iedereen. Gelet op de ontwikkeling van de Nederlandse economie denk ik dat het eerste, ondanks al mijn bezwaren, dan toch nog het meest verdedigbare alternatief is. Ik zal graag de reactie van de staatssecretaris horen.

14-12-2015
Belastingplan
H. ten Hoeve / OSF

Voorzitter,
Finland is van plan iedere volwassen Fin een basisinkomen te geven van rond de € 800, en het wordt daarmee, neem ik aan, het eerste land ter wereld dat deze vorm kiest als welvaartstaats-concept. Het lost een hoop problemen op die bij ons geleid hebben tot een onoverzichtelijke belasting- en toeslagenwetgeving en tot uitvoeringsproblemen bij de belastingdienst. En het lost ook een deel van de problemen op die dit jaar vanuit de Christelijke fracties, en naar mijn mening niet ten onrechte, naar voren gebracht zijn.

Het lijkt er op, voorzitter, dat het belastingplan, met alle annexen, en met een novelle, aangenomen gaat worden in dit Huis. Daarmee is voor de regering een probleem uit de wereld, maar daarmee zijn alle in de laatste tijd, ook door mij, geuite bezwaren, niet opgelost. Nu geld stoppen in een algemene ronde koopkrachtbehoud lijkt in een langzaam weer opbloeiende economie en na alle bezuinigingen, verantwoord.

Extra geld in de economie pompen ten gunste van specifieke groepen, werkenden, en vooral werkenden met kinderen, is mooi voor degenen die er van profiteren maar lijkt prematuur nu het niet is ingebed in een complete herziening van het uit de hand gelopen systeem, nu het doel van een structureel begrotingsevenwicht nog niet is bereikt, zelfs verder uit zicht raakt, en nu er bovendien alle reden is om aan te nemen dat ons nog hoge kosten te wachten staan vanuit diverse zowel binnenlandse als buitenlandse problematiek.
De zorg loopt niet goed, voor de justitiesfeer is de extra uitgetrokken 250 miljoen onvoldoende, gas is nog altijd een bedreiging voor Groningen, verantwoordelijkheid nemen voor de EU buitengrenzen gaat meer geld kosten en wat de zogenaamde “oorlog” met IS bij verdere escalatie gaat kosten kon ook nog wel eens tegen vallen.

Wat wij nu met dit belastingplan doen is niet terug naar eenvoud en naar een inkomstenbelasting die gelijke inkomens ook in principe gelijk, maar rekening houdend met draagkrachtverschillen, belast. Nee, wat wij nu doen is juist verder gaan op de weg van de ene anders behandelen dan de andere, vooral werkenden anders dan niet werkenden. Met het argument daarmee het grote probleem van de werkloosheid te willen aanpakken, maar in feite wel wetend dat we op deze manier wel het aanbod van arbeid kunnen opjagen maar er nauwelijks invloed op de werkgelegenheid zelf van uit zal gaan, behalve dan door de algemene bestedingsimpuls die van dit extra geld uitgaat.
Wat we wel najagen is het politiek-maatschappelijke ideaal dat iedereen zijn arbeid op de markt aanbiedt, en waar we dus geen rekening mee willen houden is de vrijheid, maar ook de soms afgedwongen noodzaak binnen leefgemeenschappen om andere keuzes te maken.

Een overzichtelijk en eerlijk stelsel zou niet politiek-maatschappelijke doelstellingen mogen najagen met series wel of niet inkomensafhankelijke heffingskortingen en toelagen. Een overzichtelijk en eerlijk stelsel zou naar mijn overtuiging uit moeten gaan van gelijke belasting van gelijke individuele inkomens, het zou een grote belastingvrije voet of algemene heffingskorting moeten toelaten die overdraagbaar is binnen een duidelijk omschreven levensverband, het mag van mij boven de vrije voet een uniform tarief hanteren met alleen een duidelijk hoger tarief voor duidelijk hogere inkomens.

Daar van uitgaande is er dus nog wel werk aan de winkel en bij het aanpakken van dat grote werk zal het handig, ja onvermijdelijk zijn, dat er dan niet alleen klein geld maar ook groot geld aanwezig is om veranderingen door te kunnen voeren.

Dat geldt zeker ook wanneer we bijvoorbeeld de laatste grote stap willen doen in de fiscalisering van de AOW. Dat is iets wat het systeem eenvoudiger en eerlijker maakt omdat dan AOW inkomen gewoon behandeld kan worden als ander inkomen en AOW’ers dus ook als andere mensen, maar dat wel grote consequenties heeft.
En het probleem momenteel is nu juist al dat de inkomens van ouderen al jaren onder druk staan en zullen blijven staan door het achterwege blijven van pensioenindexering. Dat kómt niet door de belastingheffing maar het is wel terecht dat gevraagd wordt in de belastingheffing, ook meer structureel dan alleen voor één jaar, rekening te houden met deze zich bijna als een slopende ziekte voltrekkende calamiteit. Fiscalisering AOW is redelijk, maar niet zonder meer mogelijk.

Overigens kan het alternatief voor de onderkant van het systeem natuurlijk het kiezen voor het basisinkomen wezen, wat de AOW eigenlijk ook al is. Dat lost immers ook nog alle verzilveringsproblematiek in een klap op en het maakt allerhande toeslagen overbodig. Wel een aantrekkelijk, maar in eerste instantie natuurlijk niet makkelijk alternatief. Toch de moeite waard om over te gaan denken, staatssecretaris?
De Finnen lijken het te kunnen!

Een reëel probleem van lange adem, het belastingplan noemt het terecht, is natuurlijk de te grote wig tussen netto-arbeidsloon en totale werkgeverskosten. Daarin speelt de loonbelasting natuurlijk een rol, maar toch ook de doorgeschoten verantwoordelijkheid van de werkgever voor zieke en arbeidsongeschikt geworden werknemers. Of de Wet Tegemoetkomingen Loondomein en de daarin opgenomen LIV echt zoden aan de dijk kunnen zetten voor de positie van de lage inkomensgroepen, meer dan de tot nu toe gehanteerde regelingen, lijkt mij voorlopig nog de vraag, maar aandacht voor deze groepen is niet overbodig.
Daarmee komen we dan bij de regelingen die niet voor het komende jaar bedoeld zijn, maar vooruitgrijpen naar 2017. En dus ook bij de omstreden regeling voor box 3.

Natuurlijk is de kritiek terecht dat een dergelijk ingrijpende verbouwing van de regeling een aparte behandeling vraagt en niet zo maar als klein onderdeel van het totaal plan aangeboden had mogen worden. Niet alleen dus omdat hiermee in het plan 2016 een voorschot op 2017 genomen wordt, maar ook omdat het om een principiële aanpassing van een belangrijk deel van het systeem van inkomstenbelasting gaat, wat betekent dat hier meer over gezegd moet kunnen worden dan over, soms ook wel ingrijpende, verschuivingen in bedragen en percentages van belastingschijven, kortingen en toeslagen. Ik ga er maar van uit dat over dit onderdeel van het belastingplan nog wel een keer verder gesproken zal worden voordat deze regeling echt geldigheid krijgt. Daar is ook nog een jaar de tijd voor.

Toch een korte beschouwing hierover.
De huidige regeling krijgt terecht veel kritiek. Voor houders van spaarrekeningen betekent het dat het belastingpercentage hoger is dan het rentepercentage en dat elk procent inflatie het verlies voor de spaarder nog groter maakt. Het voorgestelde systeem waarbij fictie op fictie gestapeld wordt zal niemand echt bevallen. Alleen van de kleine spaarder kun je veilig zeggen dat hij/zij er in ieder geval beter van zal worden al is het fictieve rendement nog altijd veel hoger dan het waarschijnlijke feitelijke rendement. Als het zo moeilijk is om echt gerealiseerde vermogensrendementen te traceren, en er dan trouwens ook nog de keuze gemaakt moet worden of er belasting geheven moet gaan worden over vermogensinkomsten of over vermogensaanwas, ook geen eenvoudige vraag, waarom maken wij het onszelf dan niet makkelijker.

De huidige regeling is naar de vorm een belasting op vermogensinkomsten, maar feitelijk een belasting van 1,2% op vermogensbezit. Is er eigenlijk iets op tegen om er dan ook maar gewoon echt en formeel een vermogensbelasting van te maken?
Met een wat grotere vrije voet dan nu geldt, en met een bescheiden maar progressief tarief komt mij dat voor als duidelijk, goed controleerbaar, weinig bezwaarmogelijk-heden opleverend, en ten slotte, zeker ook niet oneerlijk. Is de staatssecretaris dat met mij eens of wil hij het graag moeilijker hebben?
En mocht dat zo zijn, lijkt hem dat dan rechtvaardiger?
Voorzitter, ik hoor graag het commentaar van de staatssecretaris op de diverse punten.

Locomotie

Blijf ook op de hoogte van de ontwikkelingen van de onafhankelijke politiek.
Abonneer je nu en ontvang Locomotie levenslang gratis in de bus. >