De OSF Inbreng ‘Jeder Konsequenz Führt zum Teufel’
‘Jeder Konsequenz Führt zum Teufel’ PDF Afdrukken E-mailadres
Geschreven door MichielvanHarten   
woensdag, 23 december 2009 07:51

OSF stemt voor ‘niet helemaal consekwente’ Successiewet

 De tarieven voor erf- en schenkbelasting wordt verlaagd, regels worden vereenvoudigd, en het wegsluizen van geld wordt scherper bestreden. De Eerste Kamer heeft de wijziging van de successiewet 1956 op 15 december aangenomen. De OSF, die mede namens D66 sprak, toonde twijfels over de morele rechtvaardiging van dit soort belastingen, had een fors aantal vragen, pleitte voor een Europese regeling, en stemde uiteindelijk voor, vanwege de verbeteringen in het wetsvoorstel ten opzichte van de oude situatie.  Grootste pijnpunt blijft wel de rechtsongelijkheid tussen burgers en ondernemers.

 Inbreng van de fracties van de OSF en D66 bij wetsvoorstel
31930 Wijziging van de Successiewet 1956 en enige andere belastingwetten.
15 december 2009, H. ten Hoeve.

Ook in mijn achterban, zoals in onze hele maatschappij, is erf- en schenkbelasting omstreden. Het eerste wat ik er over hoor is: gelegaliseerde diefstal want er is al belasting over betaald. En pas daarna komt naar boven dat het zonder enige eigen inspanning verrijkt worden door een erfenis, toch enig moreel recht aan de staat geeft om daarvan een gedeelte op te eisen, als dat wordt vergeleken met het feit dat inkomen dat met eigen arbeid wordt verdiend toch ook belast wordt.
Deze laatste benadering betekent dus dat de rechtvaardiging van deze belastingen meer wordt gezien in de verkrijging dan in het nalaten of schenken, dus een benadering als verkrijgersbelasting, zoals ook in onze successiewet, ligt meer voor de hand dan een benadering als boedelbelasting. Ik ben mij bewust dat onze wetgeving niet altijd consequent is in deze benadering, eerder andersom want het uitgangspunt is toch het in Nederland woonachtig zijn van een erflater of schenker, maar jeder Konsequenz Führt zum Teufel, dus enig pragmatisme in de gehanteerde uitgangspunten is niet verwerpelijk, lettend op opbrengst- en vooral invorderingsmogelijkheden. De principiële vraag of en hoe en in hoeverre deze belastingen nu moreel gerechtvaardigd zijn wordt trouwens in zijn totaliteit al minder belangrijk bij de constatering dat wij hoe dan ook niet zomaar de opbrengsten kunnen missen.

Afgezonderde Particuliere Vermogens

Desondanks wordt er, voorzitter, nu een belangrijke slag gemaakt met de voorgestelde per saldo toch zeer ruime verlaging van de tarieven, en dus van de daaraan gekoppelde opbrengsten. En, wat mij betreft bijna even belangrijk, het voorliggende wetsvoorstel betekent ook een heel aanzienlijke vereenvoudiging, het schept een in het algemeen overzichtelijk geheel van tarieven en vrijstellingen. Maar ik kom daar nog wel op terug. Belasting is natuurlijk nooit ideaal, maar het geheel maakt een redelijke en evenwichtige indruk. En om de tariefsverlagingen te bekostigen staat daar dan tegenover het uitdrukkelijk transparant maken en dus onder erf-, schenk- en inkomstenbelasting brengen van de Afgezonderde Particuliere Vermogens. En ook dat laatste, dat er eindelijk met een heldere wettelijke regeling wordt opgetreden tegen particulieren die hun geld buiten het zicht van de belasting willen houden en, in trouwens ook, op andere manieren, tegen landen die daar gelegenheid voor geven, stemt tot grote tevredenheid. Het afbouwen van de inkeermogelijkheden is dan een logische consequentie.

Overigens, of de APV regeling ver genoeg gaat is nog de vraag. Het blijft natuurlijk aantrekkelijker geld in een lichaam onder te brengen in een land waar een zogenaamd reëel winstbelastingtarief van 10% wordt geheven dan het onder de Nederlandse IB te laten vallen. Wat mij daarbij overigens nog niet duidelijk is, is, of dat nu betekent dat de insteller van een dergelijk lichamen of zijn erfgenamen nu alleen gevrijwaard zijn van de Nederlandse IB of dat daarmee ook van de heffing van erf- en schenkbelasting op dit vermogen wordt afgezien. Misschien kan de staatssecretaris dat nog vertellen.

Vrijstellingen

Voorzitter, de volgens de nieuwe wetstekst geheven tarieven is één ding, over de vrijstellingen kan toch nog wel het een en ander gezegd worden. In het oorspronkelijke wetsontwerp vormden ook die vrijstellingen een overzichtelijk en consequent geheel. Maar door de amendementen zijn daar toch wel wat elementen ingebracht die minder goed hanteerbaar zijn en waarvan het voor ons ook wel de vraag is of ze wel echt bijdragen aan de redelijkheid van de heffingen. De bij amendement ingebrachte vrijstelling in de erfbelasting voor de ouders van een erflater komt niet onredelijk voor, de vrijstelling voor invalide kinderen is misschien wel naar doelgroep af te bakenen, maar of die afbakening in alle opzichten de eerlijkheid dient blijft de vraag. En de extra éénmalige vrijstelling in de schenkbelasting van € 26.000 als kinderen de schenking besteden voor aankoop van een eigen huis of een extra dure studie kan misschien de huizenverkoop een beetje helpen maar lijkt verder onredelijk ten opzichte van allerlei andere onder omstandigheden zeer nuttige of noodzakelijke mogelijke  bestedingen waarvoor de vrijstelling niet geldt. En daarmee bedoel ik dus niet alleen het aflossen van een eigen woningschuld, iets wat inderdaad nog betrekkelijk dicht bij het in het amendement geformuleerde doel ligt. Bovendien wordt het de belastingdienst ook weer niet makkelijk gemaakt. Mijn indruk uit de memorie van antwoord was dat de aankoop van een eigen huis met enige moeite nog controleerbaar gemaakt zal kunnen worden, maar dat de besteding aan een dure studie nauwelijks controleerbaar te maken is. Er moet , neem ik aan, natuurlijk altijd precies vastgesteld worden hoe groot nu eigenlijk het schenkingsbedrag is binnen het totale bedrag van de door de ouders betaalde studiekosten is. Zal dat alleen al niet de nodige problemen en rechtszaken geven?  Weet de staatssecretaris al hoe met deze vrijstelling in twee varianten, die hij niet zelf bedacht heeft,  omgegaan moet worden? Zijn de voorwaarden waaraan deze schenkingen moeten voldoen  intussen al duidelijk, en ook niet onbelangrijk, hoeveel extra werk schat de staatssecretaris dat de belastingdienst hier van zal hebben?

In het kader van de vrijstellingen speelt ook nog een rol de invulling van het partner-begrip. En ook daarbij heeft de behandeling in de tweede kamer nogal wat sporen nagelaten. Het oorspronkelijke uitgangspunt van een zoveel mogelijk uniform en objectief toetsbaar partnerbegrip was naar onze mening niet verkeerd. Om als partner te kunnen gelden mag best een daartoe strekkende handeling gevraagd worden. Samen een huis kopen, samen een kind krijgen, trouwen of verklaren dat je voor elkaar wilt zorgen. Redelijk is ook nog dat door tijdsverloop, vijf jaar samenwonen, partnerschap aangenomen mag worden. Maar dat een kind, of een ouder, als partner aangemerkt kan worden als er sprake is van een mantelzorgcompliment lijkt mooi maar kan wel heel onredelijk uitpakken t.o.v. andere betrokkenen, kinderen of derden. En ondanks de fraai ogende objectivering is er niet meer echt sprake van een eenduidig partnerbegrip. Een vraag hierbij. Zie ik het juist dat ook in dit geval de in het nieuwe art. 1a, lid 4 onder c gestelde eis van een wederzijdse zorgverplichting die is aangegaan bij een ten overstaan van een notaris verleden akte vervalt als de betreffende ouder en kind vijf jaar hebben samengewoond?

 ANBI’s, SBBI’s en de aftrek van periodieke giften

Dan wat betreft de ANBI’s, SBBI’s en de aftrek van periodieke giften aan verenigingen met meer dan 25 leden. Het gaat om drie regelingen die alle een zekere redelijkheid hebben en dus ook wat mij betreft op zich niet bezwaarlijk zijn. Althans, wanneer het ANBI regime snel volledige duidelijkheid en ook continuïteit biedt, en de beoordeling van het voldoen als SBBI  inderdaad, zoals de staatssecretaris in de memorie van antwoord meent, éénduidig zal zijn (ondanks de drie beoordelingslocaties). Maar dan nog mag uit de verwarring die spreekt uit alle reacties de conclusie getrokken worden dat het niet goed aanvoelt als er drie verschillende regelingen worden getroffen, die elkaar ook nog deels overlappen, om situaties te faciliteren die zo volledig in elkaars verlengde lijken te liggen. Had dat nou niet wat simpeler gekund?

Bedrijfsopvolging

En tenslotte, voorzitter, de regeling voor de bedrijfsopvolging. Hier is natuurlijk sprake van het balanceren tussen twee benaderingen, die beide zinvol en verantwoord zijn, maar wel een tegengestelde conclusie opleveren.
- Enerzijds kan een in particulier bezit zijnde onderneming die afhankelijk is van het door die particulier gefourneerde vermogen vergeleken worden met een grote onderneming met een verspreid, in aandelen verdeeld vermogen. De laatste merkt niets van een eigendomsovergang door vererving of schenking of verkoop van zijn aandelen, er komt dan gewoon een nieuwe aandeelhouder, een erfgenaam, een begunstigde of een koper. Invloed op het ondernemingsvermogen heeft dat niet. Om de kleine onderneming gelijke kansen te bieden mag een erfovergang of schenking niet leiden tot gedwongen liquidatie van een deel van de onderneming, dus een vrijstelling van erf- of schenkrecht lijkt de oplossing.
- Anderzijds kan een erflater of schenker die de eigendom, geheel of als aanmerkelijk belang van een onderneming heeft, en die zijn onderneming door wil geven aan zijn erfgenamen of door schenking begunstigden, vergeleken worden met elke willekeurige andere erflater of schenker en diens erfgenamen of begunstigden, waar er niet een onderneming maar andere zaken van eigenaar wisselen. Om hier gelijkheid in behandeling te scheppen tussen de diverse vermogensverkrijgers,moeten de tarieven voor erven en schenken van een onderneming precies gelijk zijn aan die in alle andere gevallen.

Wij schuiven in het gepresenteerde wetsvoorstel wel heel erg ver op naar de benadering van de eerste vergelijking. Aanzienlijk verder dan in de nu geldende regeling en ook verder dan onze fracties lief is. Als het mogelijk was om hier een soort conjuncturele maatregel in te zien die even zinvol is als het slecht gaat, dan was dat misschien wel verdedigbaar. Maar als structurele maatregel voor de lange termijn, en dat is deze wet natuurlijk, wordt wel een erg eenzijdig standpunt gekozen. Naar onze mening te eenzijdig om nog te kunnen spreken van een evenwichtige benadering. Te weinig recht doend aan de vergelijkbaarheid van de verkrijgers van vermogen, of dat nu belichaamd is in een onderneming of in ander bezit. Dat was zo in het oorspronkelijke voorstel, en het in de definitieve versie ingebrachte amendement heeft dat anders ingekleed, maar naar ons gevoel in ieder geval ook zeker niet beter gemaakt. Het kan hier toch  gaan om heel grote, helemaal of nagenoeg geheel, van belasting vrijgestelde bedragen. Hoe eerlijk is dat nog? Misschien wil de staatssecretaris daar nog wat over zeggen, en daarbij niet alleen de functie van het vermogen voor de onderneming noemen, maar ook het vermogen als particulier bezit, als rijkdom, in zijn afweging meenemen.

Afstemming binnen EU

Voorzitter, deze wijziging van de successiewet heeft, zoals altijd met belastingwetten, weer een groot aantal specialistische vragen en antwoorden losgemaakt. Als niet-deskundige heb ik wel eens met verwondering de stukken heb gelezen, maar vooral met bewondering voor de specialisten, daaronder de staatssecretaris en zijn helpers, maar ook een aantal collega’s hier. Daarmee is al weer een heel stuk wetsgeschiedenis en interpretatie gevuld, en kon ik het prettige gevoel houden dat ik mij rustig kon beperken tot de vragen en opmerkingen van de belangstellende leek. Toch, als leek, maar dus wel met belangstelling, dan nog een laatste vraag.

Elk land heeft zijn eigen belastingsysteem, ook voor erven en schenken. En daar zitten heel aanzienlijke verschillen tussen. In het Belastingmagazine van mei 2008 schrijft de heer Bergman als hij het heeft over complicaties in internationale situaties: “Zelfs een vierdubbele heffing behoort tot de mogelijkheden. Stel je hebt als Nederbelg een vakantiehuis in Frankrijk en dat laat je na aan een kind dat in Spanje woont. Dan heft Nederland - vooropgesteld dat de 10-jaarstermijn nog niet is verstreken - op grond van de nationaliteit. België doet hetzelfde op basis van de woonplaats van de erflater. Frankrijk wil geld zien omdat het het huis als een zg. situsgoed beschouwd en Spanje omdat de verkrijger daar woont”. En inderdaad, allemaal gegronde redenen om tot heffing over te willen gaan, al zal het wel niet echt tot een vierdubbele betaling komen. Maar zou het niet een enorme stap vooruit zijn als in ieder geval de EU tot overeenstemming zou kunnen komen over een gemeenschappelijke systematiek voor deze belastingen. Zou dat niet heel veel werk en sores schelen van belastingadviseurs en van de belastingdienst en van de betrokken burgers. Het is natuurlijk heel moeilijk om tot een voor iedereen acceptabel resultaat te komen, en bovendien zijn belastingen nog uitdrukkelijk de eigen verantwoordelijkheid van de lidstaten. Maar zou het niet in ieder geval het streven moeten zijn, ook van de Nederlandse regering, om van die belastingautonomie wat te willen afstaan?

 =====================================================================================================

Tweede termijn

In de tweede termijn pleitte Hendrik ten Hoeve voor een versoepeling van de aanwending van de eenmalige vrijstelling van € 50.000 voor eigen woning of studiekosten.Verder pleitte hij voor scherpere controle op –op zich legale- trusts en familiestichtingen in het buitenland waar Nederlandse belastingwetgeving niet geldt.Tenslotte: de staatssecretaris redeneert dat hij het ondernemingsvermogen nagenoeg wil  vrijstellen, omdat het anders ten koste gaat van die bedrijven. De OSF vindt dit een ongelijkheid die niet goed is uit te leggen aan burgers, die wel fors moeten betalen over ontvangen erfenissen. Ten Hoeve: ‘Dit is voor mij geen reden om tegen het wetsvoorstel te stemmen, want er zit zeer veel goeds in, maar ik ben hier toch niet helemaal gelukkig mee’.

Laatst aangepast op woensdag, 23 december 2009 08:24