|
Bij een ontvangst van Friese statenleden in de Eerste Kamer, op 20 mei, hield Hendrik ten Hoeve een toespraak over de vraag of Nederland voldoet aan de bepalingen van het Handvest minderheidstalen. Het betoog spitste zich toe op de positie van het Fries als tweede rijkstaal.
Ten Hoeve:
'Voorzitter,
De verhouding tussen het Rijk en de provincie Fryslân m.b.t. de Friese taal is geregeld in de Bestuursafspraak inzake de Friese taal en cultuur van 2001. Op basis daarvan worden uitvoeringsconvenanten overeengekomen die de concrete inzet regelen. Er ligt nog een convenant van 2005. In 2008 had een nieuw convenant in werking moeten treden, maar dat wil blijkbaar niet echt het vlotten.
De inspanningen van het Rijk voor de Friese taal, die dus via die bestuursafspraak en het convenant voor een groot deel zijn belegd bij de provincie, zijn gebaseerd op de verplichtingen die voortvloeien uit de ratificatie van twee Verdragen van de Raad van Europa. En natuurlijk gewoon op de eigen overtuiging van de Nederlandse overheid dat er verantwoordelijkheid bestaat ten opzichte van de minderheidstaal Fries – anders had Nederland zich niet bij die verdragen aan moeten sluiten.
Het eerste van de twee verdragen is het Europees Kaderverdrag inzake de bescherming van nationale minderheden, waarvan Nederland (pas) in 2005 de verplichtingen op zich genomen heeft. Er is (uiteindelijk) één nationale minderheid erkend en dus onder de werking van het verdrag gebracht, de Friezen. Het verdrag beschermt minderheidsgroepen, nationale minderheden, die dus, letterlijk genomen, tot een andere natie, volk, behoren, dan de meerderheid in de staat waarvan zij het staatsburgerschap hebben. Er zijn natuurlijk gradaties in de mate waarin dat beleefd wordt. Een Hongaarssprekende in Roemenië of de Oekraïne beschouwt zich als Hongaar, ondanks zijn staatsburgerschap. Een Fries rekent zichzelf over het algemeen met hetzelfde gemak tot de Nederlandse natie als tot de Friese natie. Het verdrag legt verplichtingen op de deelnemende staten om niet alleen individuele burgerrechten te respecteren, maar ook collectieve rechten van de minderheden. De overheden moeten: “ maatregelen nemen op het terrein van onderwijs en onderzoek ter bevordering van de kennis van de cultuur, geschiedenis, taal en godsdienst van hun minderheden”, en waarborgen dat de minderheidstaal gebruikt kan worden in het contact met bestuurlijke instanties. Dat is principieel wel heel mooi maart niet erg concreet.
Het tweede verdrag is het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden, waarvan Nederland al sinds 1996 de verplichtingen op zich genomen heeft. Dat legt veel concreter verplichtingen op, alhoewel bij de ratificatie wel gekozen kon worden uit een aantal mogelijkheden. Nederland heeft ten aanzien van het Fries 48 verplichtingen op zich genomen ten aanzien van onderwijs, rechterlijke procedures, taalgedrag van overheden, omroep, cultuur, economie en internationale relaties. En verder, voor de volledigheid, veel lichtere verplichtingen ten aanzien van het Nedersaksisch, het Limburgs, het Jiddisch en de Roma en Sinti talen. Om de drie jaar wordt door Nederland gerapporteerd hoe de stand van zaken is, vervolgens wordt er door een commissie van deskundigen van de Raad van Europa een onderzoek daar naar ingesteld en gerapporteerd, en daarna door het comité van ministers van de Raad van Europa een aanbeveling gedaan voor verder wenselijk beleid. Ook hier weer: Nederland is niet altijd even vlot met zijn verplichte rapportage, de laatste keer was die 15 maanden te laat.
De Raad van Europa vindt in zijn laatste beoordeling dat er veel goed gaat, bijv. op het vlak van judiciële procedures – het ministerie van Justitie doet het dus goed, maar de Raad vindt ook dat er nog veel meer nog lang niet goed gaat, vooral in het onderwijs.
“The comittee of experts urges the Dutch authorities to make available a substantial part of pre-school education in Frisian”. Idem, “a substantial part of primary education”. “The committee strongly urges the Dutch authorities to improve the situation of the teaching of Frisian in secondary education”.
Dat liicht der net om. En het klopt natuurlijk met onze eigen waarneming: er wordt in het onderwijs heel weinig aan Fries gedaan en heel weinig van het Fries als communicatietaal gebruik gemaakt anders dan puur informeel.
Voldoet Nederland dus op deze manier aan zijn verplichtingen? Nee, ook al komt dat niet door opzettelijke tegenwerking want er is heus wel sympathie. Het heeft alleen blijkbaar niet het belang en de urgentie die het voor een directer betrokken overheid wel zou hebben!
Vanuit haar toch wat afstandelijke positie vond de Nederlandse regering tot nu toe telkens dat ze wel voldoende deed. De wetgeving geeft immers veel vrijheid aan de scholen om aan Friese taal en cultuur te doen wat ze maar willen. Zo is nu eenmaal, zegt de regering, het Nederlandse systeem: de scholen hebben zelf vrijheid om binnen enkele door de wet getrokken grenzen hun eigen keuzes te maken. In onze gecentraliseerde staat is op het vlak van onderwijs heel veel gedecentraliseerd naar de bevoegde gezagen. Ook de keuze hoeveel tijd en ruimte aan de diverse vakken wordt gespendeerd. Het belang van het Nederlandse systeem weegt hier voor de regering blijkbaar zwaar. Zwaarder dan de conclusie dat het voor het onderwijs in het Fries weinig oplevert.
In feite schuift de overheid daarmee de verantwoordelijkheid voor het nakomen van de verdragsverplichtingen dus af op de scholen! En kijkend naar de manier waarop de inspectie moet opereren is dat ook zelfs zonder enige controle. Want er is eigenlijk alleen maar controle of het algemene niveau wel toereikend is. Pas als dat niet het geval is, treedt de inspectie op. En dat algemene niveau wordt weer eigenlijk alleen bepaald door de noodzakelijke doorstroming. En die wordt bepaald, in laatste instantie, door enkele wél vastgelegde verplichtingen die de laatste tijd ook nog eens extra strak worden aangetrokken met betrekking tot Nederlandse taal en rekenen/wiskunde.
In de statenkommissie is kortgeleden het “Oanfalsplan Frysk” aan de orde geweest en als ik het goed begrepen heb was de unanieme conclusie dat dat te dwingend was. En ik denk dat de Statencommissie daar groot gelijk had.
Maar helemaal zonder regels voor het Fries, met alleen maar vrijheid blijheid voor scholen die op ándere terreinen wél zwaar wegende verplichtingen voelen, werkt blijkbaar niet. Na het laatste slechte rapport van de Raad van Europa concludeerde ook minister Ter Horst, die coördinerend bewindspersoon voor de Friese taal is, dat Nederland volgende keer het Fries in het onderwijs beter op orde moet hebben en dat zij daarvoor zal zorgen door “te bevorderen dat dit punt wordt opgepakt door de verantwoordelijken in dezen, de provincie Friesland en het ministerie van onderwijs, cultuur en wetenschap”.
Het Fries is als tweede rijkstaal binnen de provincie Friesland gelijkwaardig aan het Nederlands. Maar dat is dus niet echt zo! Overheden proberen over het algemeen om de taal van de staatsdragende natie te versterken en een cultuur dragende elite te kweken of in stand te houden als waarborg voor hun nationale voortbestaan. Zo’n overheid wil de Friese overheid ook zijn, gelet op haar aspiraties. De Nederlandse overheid wil dat ook, maar ten opzichte van het Fries niet echt, blijkbaar. Wel ten opzichte van het Nederland, natuurlijk. Dat wordt dan nog wel niet in de grondwet genoemd, maar in het hele onderwijs is Nederlands in principe verplichte voertaal, het maakt prominent en verplicht onderdeel uit van elk examen in het voortgezet onderwijs, het examen moet ook in het Nederlands worden afgenomen. En de laatste tijd is daar nog bijgekomen dat zwaar benadrukt wordt dat nieuwkomers in dit land niet zonder Nederlands kunnen en bij voorkeur zo gauw mogelijk zelfs met hun eigen kinderen Nederlands moeten spreken en dat via voorschoolse educatie gezorgd moet worden dat ieder kind dat niet in het Nederlands heeft leren praten dat zo snel mogelijk alsnog leert. In plaats van Turks of Berbers of Fries.
Dat is niet vreemd. Dat doet elke staat: de taal en cultuur van de natiedragende gemeenschap is één van de belangrijkste onderdelen van de legitimatie voor het bestaan van de staat. En het is ook niet vreemd dat die inspanning zich vooral richt op het onderwijs, voorschools, vroegschoools, schools, naschools. Onderwijs is cruciaal om een taal bestand te maken tegen eventuele sterke concurrenten.
Sinds de 19e eeuw probeert ieder volk de mogelijkheid te krijgen om juist dit zelf te regelen. In veel gevallen door een eigen natiestaat te creëren. Alle staten van midden en oost Europa zijn zo ontstaan. Hier en daar is de worsteling nog gaande. Maar overal deed en doet zich dan de vraag voor of er wel echt een eigen staat nodig is of dat het taalgebied daarvoor te klein is (onpraktisch) of dat bijv. de bindingen met andere taalgroepen zo intens zijn (geworden) dat eigen staatsvorming helemaal niet gewenst is. Maar overal was, en is,wel die drang om in ieder geval dat wat rechtstreeks het overleven of verdwijnen van de eigen groep bepaalt, zelf te regelen.
Voor zover ik het kan zien, probeert de provincie Friesland dat ook. Zij probeert, in alle bescheidenheid, een overheid te zijn die niemand dwingt om voor een bepaalde identiteit of een taal te kiezen, maar die wel zich verantwoordelijk voelt voor een educatieve infrastructuur die haar bevolking alfabetiseert, ook in zijn eigen taal, en die de mogelijkheid geeft een cultuurdragende elite in stand te houden. Zij moet het dus anders willen doen dan de Nederlandse overheid het tot nu toe doet. Maar ze is zich natuurlijk wel pijnlijk bewust dat haar invloed op het onderwijs wel heel marginaal is. Het ene rapport na het andere is verschenen en de ene commissie na de andere is ingesteld en de ene subsidieregeling na de andere is geïmplementeerd, maar in het onderwijs is weinig veranderd. Een overheid die verantwoordelijkheid wil dragen en daarom doelstellingen heeft, moet ook middelen hebben.. Moet dus kunnen voorschrijven. Zolang het enige recht dat de provincie heeft, het recht is om dispensatie te verlenen voor het geven van dat éne uur Fries in de week, zal de provincie met een beetje geld en veel goede woorden niet veel kunnen veranderen. Ze moet ook kunnen verplichten. Daarbij natuurlik altijd zich bewust blijvend van de vraag of er verstandige dingen worden verplicht, of het doel op een effectieve manier bereikt wordt. Je kunt met paardenmiddelen ook het doel onbereikbaar en jezelf onmogelijk maken!
Mijn gedachte zou de volgende zijn. De Nederlandse staat heeft de Friezen als nationale minderheid erkend, en heeft ook daaruit de consequentie getrokken dat die minderheid haar taal moet kunnen gebruiken, en in stand houden en zelfs versterken. Daar heeft Nederland voor getekend. Nederland heeft geprobeerd om aan haar verplichtingen in dat opzicht te voldoen, op haar eigen manier, binnen de algemene Nederlandse manier van regel geven. Wat betreft een typisch statelijk deel van de overheidsbemoeienis, de regels voor de judiciële organen, de rechterlijke macht en alles daaromheen, is dat ook heel aardig gelukt. Maar wat betreft onderwijs en bijv. ook de publieke omroep is sinds 1996 intussen wel duidelijk gebleken dat het niet werkt om binnen het algemene kader van landelijke wetgeving, die uitgaat van gelijke regels voor iedereen in dit land, recht te doen aan de eigen positie van een erkende taalminderheid. In feite begint dat zelfs steeds meer te knellen nu Nederland steeds fanatieker aan iedereen de kennis van het Nederlands wil opdringen en dat zowat tot het hoogste doel van het onderwijs maakt. Bij alle erkenning van het Nederlands als algemene en dus noodzakelijke taal binnen deze staat, het betekent wel dat het steeds moeilijker wordt om daarnaast nog wat eigens overeind te houden. Dat geldt voor Turken in Rotterdam, maar ook voor Friezen in Friesland.
Ik zou hopen dat de uitwerking die de commissie Hoekstra moet geven op de adviezen van de commissie Lodders, er toe leidt dat op deze punten essentiële inhoudelijke bevoegdheden overgedragen kunnen worden aan de overheid die het belang, en het voortbestaan, van de erkende minderheid in dit land tot zijn directe verantwoordelijkheid rekent. Die minderheid had hier al een eigen koninkrijk 1000 jaar voordat er sprake was van een Nederlandse republiek. Die minderheid vindt nu zijn vertegenwoordiging in de Friese overheid. En die zit hier nu in onze zaal, voorzitter'.
|