|
Bij het Antillendebat , op 19 mei in de Eerste Kamer, pleitte de OSF voor een vorm van autonomie die recht doet aan de complexe bestuurlijke positie van de eilanden. Hier leest u de tekst van de inbreng van Hendrik ten Hoeve.
Voorzitter,
Wij zijn het er met zijn allen wel over eens dat onze voormalige koloniën zelfbeschikkingsrecht hebben. En als wij het daar niet over eens waren dan zouden de VN ons daar wel aan herinneren. Wij zijn het er ook over eens dat dat zelfbeschikkingsrecht alle eilanden afzonderlijk toekomt. Dat is niet in alle opzichten praktisch, maar de eilanden zijn zo verschillend en ze hebben in de loop van de tijd zoveel weerzin tegen een gezamenlijk bestuur opgebouwd dat het niet realistisch zou zijn om ze als één geheel te beschouwen. Het probleem bij de uitoefening van het zelfbeschikkingsrecht is dat een keuze moet worden gemaakt tussen óf zelfstandigheid, zelf baas zijn, óf integratie in het centralistische land Nederland, óf daar ergens tussen in. En alles heeft natuurlijk zijn voor en zijn tegen.
De BES eilanden zijn zo klein dat ze in dit dilemma niet veel anders konden dan kiezen voor de geborgenheid van de integratie met Nederland. Curaçao en St. Maarten kunnen zich, waarschijnlijk, permitteren te kiezen voor zoveel mogelijk zelfstandigheid, maar ook zij willen niet de veilige band met het koninkrijk doorsnijden. Of die keuze nu gemaakt wordt vanwege de veiligheid van het Nederlandse paspoort, pragmatisch, of vanwege de historische verbondenheid met Nederland, idealistisch, maakt voor de gang van zaken niet echt uit. In het kader van het Statuut voor het Koninkrijk (art. 43) betekent de gemaakte keuze onvermijdelijk dat het koninkrijk de waarborg blijft vormen voor de fundamentele menselijke rechten, de rechtszekerheid en de deugdelijkheid van bestuur. Dat is, onder omstandigheden, een beperking van de autonomie, want het koninkrijk kan ingrijpen in wat uitdrukkelijk taken van het land zijn, maar het is ook wel juist de kern van de veiligheid die het koninkrijk te bieden heeft. Dus misschien is ook dát wel juist één van de redenen om te stemmen voor de band met het koninkrijk. Een vraag daarbij is hoever die waarborgfunctie reikt, en het lijkt mij erg goed dat de staatssecretaris daar apart aandacht aan gaat besteden in een discussie over de visie op het koninkrijk in het algemeen en de reikwijdte van deze waarborgfunctie dus in het bijzonder. Misschien kan de staatssecretaris er nog even in gaan hoe zij dit precies op wil zetten en wie daarbij betrokken worden. En een tweede vraag die zich voordoet is, wie dat koninkrijk nu eigenlijk is. In principe is duidelijk dat dat de gezamenlijke landen zijn, maar daar is wel iets meer van te zeggen. Ook daarover komt binnenkort een discussie in het kader van het democratisch deficit in het koninkrijk, maar ik wil daar straks ook nog wel even op terugkomen.
Duidelijk moet wel zijn dat de keuze van Curaçao en St. Maarten voor autonomie natuurlijk echt een keuze voor autonomie is en niet voor een gedetailleerd toezicht op van alles en nog wat door het koninkrijk of via allerlei regelingen door het land Nederland. Dat kan niet bedoeld zijn met de waarborgfunctie en Nederlandse politici moeten ook niet de indruk geven dat ze in feite volledige controle willen omdat ze menen dat alleen zo de waarborgfunctie tot zijn recht kan komen, of, nog erger, omdat ze menen dat zonder Nederland alles fout gaat. Ik ga er van uit dat de staatssecretaris dat ook volledig met mij eens is, maar ik hoor haar daar graag over.
Toch zijn er enkele zaken geregeld op een manier waarvan op zijn minst gedacht kan worden dat Nederland daar aan de touwtjes wil blijven trekken. En die dus ook geleid hebben tot de enorme polarisatie op Curaçao. Ik ben ontzettend blij dat het referendum op Curaçao een meerderheid heeft opgeleverd van ja stemmers, maar die meerderheid is wel zo krap dat niet alleen de Antilliaanse premier maar ook Nederland wel mag proberen een hand uit te steken naar de oppositie om toch tot een werkbare acceptatie van elkaar te komen. De ruzie over de datum voor het volgende Parlementair Overleg, het eenzijdig afwijken van gemaakte afspraken, is wat dat betreft natuurlijk geen best begin! En daarbij heeft Nederland niet alleen de Curaçaose oppositie maar alle fracties en niet alleen op Curaçao, tegen zich in het harnas gejaagd. Maar daar kan, in dit geval, de staatssecretaris niets aan doen.
De tegenstellingen op het eiland zelf spitsen zich natuurlijk toe op de beide heikele punten, financiën en rechtshandhaving.
De controle door het College financieel toezicht, die op zich adviserend van karakter is, maar wel is opgelegd aan de beide toekomstige landen, en de mogelijkheid van ingrijpen in de begrotingsprocedures van de landen door de koninkrijksregering vormen, vind ik, inderdaad een beperking aan de autonomie die de beide eilanden krijgen. Dat geldt eigenlijk nog sterker voor de BES eilanden, maar daar vormt het onderdeel van wat in het gecentraliseerde Nederland verwacht mocht worden. Dat hoort er nu eenmaal bij.
Voor Curaçao en St. Maarten geldt dat het toezicht in principe als tijdelijk bedoeld is en vooral dat het gezien moet worden als het gevolg van de Nederlandse bereidheid om de Antilliaanse schulden voor een groot deel over te nemen. Voor wat hoort wat lijkt mij inderdaad heel goed verdedigbaar in zo’n geval. Maar wij mogen misschien wel blijven beseffen dat de oppositie dit ervaart als pure controle door de voormalige kolonisator en dat ze daar op zich niet ongelijk in hebben.
En dan de rechtshandhaving. De opzet van het gemeenschappelijk hof met eigen rechtspersoonlijkheid, dus financieel met een zekere onafhankelijkheid t.o.v. de drie betrokken landen, en de gerechten per land, moet voldoende gemeenschappelijkheid waarborgen om de nadelen en de risico’s van een te kleinschalige opzet te vermijden. Dat dat er ook toe moet leiden dat de wetgeving in de drie betrokken landen bij elkaar in de buurt blijft is logisch en ook goed binnen één koninkrijk.
De ene procureur generaal voor de drie afzonderlijke Openbare Ministeries lijkt mij, vanuit dezelfde redenering, ook nog steeds een betere oplossing dan drie afzonderlijke. Maar gelet op de bezwaren daartegen (want tot nu toe heeft dat ook slecht gefunctioneerd, zeggen ze op St. Maarten) wil de staatssecretaris misschien wel aangeven of deze keuze na verloop van tijd serieus geëvalueerd kan worden.
Dat de aanwijzingsbevoegdheid van de Nederlandse minister van justitie is vervallen ben ik niet rouwig om. Dat het totale vervolgings- en opsporingsbeleid via afspraken onderling wordt afgestemd en dat voor grensoverschrijdende criminaliteit door de rijksministerraad een beleidsprogramma wordt vastgesteld lijkt mij per saldo passender. We zijn één koninkrijk, met gezamenlijke belangen, maar de indruk dat het ene land dwingend aanwijzingen wil kunnen geven ten aanzien van het andere land, hoort daar niet bij.
Ook voor de politie vind ik dat er juiste keuzes gemaakt zijn, alhoewel daar wat mij betreft nog wel wat vragen liggen. De keuze voor drie afzonderlijke korpsen wordt hier veel bekritiseerd en is misschien niet het meest praktisch maar voor mij wel het meest logisch. Als wij in Nederland regionale politiekorpsen hebben zou het wel erg vreemd zijn als de landen binnen het koninkrijk geen eigen korps zouden hebben. Het kunnen inzetten van een eigen politiekorps is voor een regering natuurlijk niet alleen een statuskwestie maar ook een logisch complement van de wetgevende bevoegdheden. Daar moet bij gezegd worden dat ook hier de schaal van de eilanden het op zijn minst moeilijk en waarschijnlijk onverantwoord maakt om alleen op het eigen kleine korps met beperkte capaciteiten te vertrouwen. Dat kan Nederland binnen de Europese Unie ook al niet meer. Dus moet er samengewerkt worden en moet de gemeenschappelijke voorziening een belangrijke rol gaan spelen.
De opzet van die gemeenschappelijke voorziening wordt in overleg vastgesteld en er moet samen betaald worden. Maar als ieder land zijn eigen aandeel in het gebruik moet betalen wordt er misschien wel zo weinig mogelijk gebruik van gemaakt – want het kost veel geld. En als Nederland de kosten van de voorziening draagt, wat ik mij ook wel voor zou kunnen stellen, dan wordt het misschien wel weer aantrekkelijk om er zo veel mogelijk gebruik van te maken. Hoe stelt de staatssecretaris zich vaststelling van de capaciteit, de betaling en de inzet, en ook de benoeming van de directeur, van de gemeenschappelijke voorziening, concreet voor?
En in ditzelfde verband, maar nu voor wat betreft de aanloop naar de nieuwe statussen De nieuwe landen stellen, neem ik aan, vanuit hun komende autonomie, hun eigen prioriteiten m.b.t. de opbouw en uitrusting van hun politiekorpsen. Maar er wordt nu, in het kader van de eindbeoordeling of Curacao en St. Maarten klaar zijn om land te kunnen worden, toch ook in onderling overleg bekeken hoe de politiekorpsen van de beide nieuwe landen kwantitatief en kwalitatief moeten worden opgebouwd om de situatie op de eilanden meester te kunnen blijven. Of worden. Als nu bv. Nederland in dit overleg van mening zou zijn dat er bv. op St. Maarten veel meer politie nodig is dan het eiland bereid en in staat is te betalen, wat gebeurt er dan? Ik zou mij dat wel voor kunnen stellen want het is een klein eiland met weinig legale inwoners maar met heel grote problemen en veel zaken die controle vereisen. Daar is dus misschien wel een onevenredig grote politiecapaciteit nodig. Graag een bespiegeling hierover van de staatssecretaris.
En daarmee komen we dan aan de belangrijke vraag toe wanneer de overgang naar de nieuwe situatie plaats gaat vinden. Dat zou uiterlijk maart 2010 moeten gebeuren omdat er anders nieuwe verkiezingen voor het land Antillen moeten worden gehouden. Maar het is de vraag of tijdig alle noodzakelijke wetgeving in kannen en kruiken kan wezen. Bovendien is er hier in Nederland ook nog de telkens opflakkerende discussie over de vraag of St. Maarten wel klaar is voor de landstatus. Hoe lossen we het op als het later wordt. Kan dan de BES toch alvast onderdeel van Nederland worden, formeel of praktisch? Moet er dan in Curaçao en St. Maarten gestemd worden voor een statencollege van een Antillen zonder BES eilanden? De Raad van State had zo’n mooie oplossing bedacht – laat de gouverneur maar uit naam van het koninkrijk regeren, in plaats van een nieuwe Antilliaanse regering te moeten vormen, maar daar is niet veel animo voor.
En dan wat betreft St. Maarten. Als ik het goed begrepen heb dan is pas nu kort geleden, in maart, in de politieke stuurgroep de beslissing genomen dat de twee nieuwe landen en Nederland, zelf hun plannen in het kader van het PVNA kunnen indienen bij USONA. Uiteraard nog steeds zonder de eindverantwoordelijkheid van de Antilliaanse minister van justitie te beperken. Pas nu is dus bepaald dat het eiland, dat daar al jaren om vraagt, zijn eigen prioriteiten m.b.t. de politie mag stellen. Er is zonder twijfel nog veel mis want op een eiland met evenveel illegalen als legalen, en met enorme aantallen toeristen en casino’s, die allemaal veel geld opleveren en werkgelegenheid geven, maar ook heel veel ongerechtigheden meebrengen daar is altijd veel mis als daar niet adequaat uitgeruste politie, douane en kustwacht tegenover staat. Maar er is, voor zover ik kan zien, ook veel eerlijke inspanning om als land te slagen en daarbij ook deze problemen onder controle te brengen. En ook veel bereidheid om zich daarbij door Nederland te laten helpen.
Denkt de staatssecretaris dat de keuzes die gemaakt zijn en de prioriteiten die St. Maarten stelt, en de hulp die Nederland daar bij kan bieden, voldoende zijn om, misschien niet direct, maar wel op termijn, grootschalige criminaliteit aan te kunnen (want die is er, blijkbaar). En ook om, waar zich dat voordoet, gebrek aan integriteit in het apparaat en in het bestuur te bestrijden? Zou van die beoordeling niet af moeten hangen of St. Maarten straks tegelijk met Curaçao land wordt? Hoe denkt de staatssecretaris daar over?
Hoe belangrijk is daarbij trouwens het feit dat het eiland in de huidige constellatie blijft opgescheept met een monistische bestuursstructuur? Waarbij, zoals nu blijkt, toch makkelijk een situatie kan ontstaan waarin geen meerderheid in de eilandsraad mogelijk is maar waarbij het systeem ook niet voorziet in nieuwe verkiezingen.
Tenslotte, voorzitter. Het is moeilijk de balans tussen autonomie en koninkrijks-verantwoordelijkheid te vinden. Daar krijgen wij dus van de staatssecretaris een discussie over. Maar een extra probleem daarbij, ik noemde dat al even, is dat het verschil tussen het koninkrijk en het land Nederland niet heel helder is. Er is een commissie aan het werk over het democratisch deficit, dus daar krijgen wij ook een discussie over en dus het heeft geen zin om daarover nu uit te weiden. Maar, om een klein begin te maken, het statuut heeft een ondoorzichtig koninkrijk gemaakt dat niet in normale staatsrechtelijke schema’s past. Het Deense parlement is een koninkrijksparlement met vertegenwoordigers van de Faer Öer en Groenland, die beide intern volledige autonomie hebben. Het Finse parlement vertegenwoordigt de hele republiek, alhoewel de Åland-eilanden autonomie hebben. In het VK is de structuur ook vergelijkbaar. Bij ons is het zo geregeld dat over koninkrijkswetgeving door alle parlementen gepraat mag worden maar dat het parlement van het land Nederland de beslissing daarover neemt. Waar het echt nodig is kun je natuurlijk regelen dat er alleen een beslissing komt als er consensus is (dat is trouwens knap ingewikkeld), maar zelfs dan is het formeel nog het Nederlandse landsparlement dat de voor wetgeving vereiste parlementaire goedkeuring geeft. Is dat niet een vreemde regeling? Wat vindt de staatssecretaris daarvan?
|