De heer De Lange (OSF): Laat mij vanaf het allereerste moment volstrekt duidelijk zijn: het wetsvoorstel om te komen tot een geleidelijke afbouw van de dubbele heffingskorting in het referentieminimumloon kan niet op de goedkeuring van mijn fractie rekenen. Sterker, zij acht het voorstel verwerpelijk in alle betekenissen van het woord. Uiteraard zal ik de reden daarvoor aangeven.
Een centrale overweging van de regering is dat "werk boven uitkering" gaat en dat "werken moet lonen". Daar zal geen verstandig mens het mee oneens zijn en in een ideale wereld met een perfect functionerende arbeidsmarkt en volledig aangepaste en goed opgeleide burgers zou er ook nauwelijks een probleem zijn. Quod non. Het kabinet gaat niettemin zo ver deze uitspraken tot principe te verheffen. Nu laten principes doorgaans weinig ruimte voor flexibiliteit en staan ze vaak creatief denken in de weg.
Ook denkt mijn fractie niet dat door uitspraken als mantra's te herhalen de werkelijkheidswaarde groter wordt. Het idee van de Tibetaanse gebedsmolen mag wellicht in Tibet werken, maar in Nederland hebben we daar geen toetsbare aanwijzingen voor. Werk moet lonen, maar er moet wel werk zijn. Sterker nog, er moet werk zijn op het niveau van de mensen die getroffen worden door de afbouw van de dubbele heffingskorting. En dat is natuurlijk waar de problemen liggen. Voor starters op de arbeidsmarkt en voor mensen boven de 50 jaar zijn de problemen op de arbeidsmarkt enorm. Diverse enquêtes onder werkgevers wijzen uit dat ouderen te duur, te vaak ziek en te eigenwijs zouden zijn. De kans dat ouderen zonder baan aan de slag komen, is dan ook minder dan 10%. Tot zover mantra's en principes.
Zeer veel mensen zijn tegen wil en dank in een uitkeringssituatie beland, niet omdat ze daarvoor kozen. Daaruit blijkt prachtig dat verwoorde principes ons niet over de brug helpen. Niettemin denkt de regering dat de oplossing van een sociale problematiek die over decennia is gegroeid gelegen is in het vergroten van de financiële prikkels. Weliswaar kun je met illusies heel oud worden, maar dit soort problemen los je er beslist niets mee op. Het opentrekken van de armoedeval zal nauwelijks leiden tot grote arbeidsdeelname, maar wel tot veel frustratie en menselijke ellende. Het presenteren van dit soort wetsvoorstellen zonder dat daaraan een realistisch werkgelegenheidsbeleid is gekoppeld, is in feite een slag in het gezicht van velen aan de onderkant van onze samenleving.
De regering beroept zich op allerlei statistieken om haar gelijk te halen. Nog afgezien van het feit dat er geen helder onderscheid wordt gemaakt tussen loon- en prijsinflatie, wordt bij de genoemde inflatiecijfers maar al te gemakkelijk vergeten dat allerlei significante inkomenseffecten die voor de doelgroep van belang zijn, niet worden meegenomen. Te denken valt aan gemeentelijke belastingen, maar vooral ook aan de gezondheidszorg. Het zal de regering toch niet zijn ontgaan dat de kosten voor de gezondheidszorg stijgen, dat de standaardpakketten steeds minder omvatten en dat veel zorg die met name voor ouderen van belang is, in dure aanvullende pakketten wordt aangeboden? Ook de mobiliteit van de slachtoffers van dit wetsvoorstel staat onder druk door de snel groeiende kosten en teruglopende kwaliteit van ons openbaar vervoer. De regering weet dat natuurlijk allemaal heel goed. In de memorie van antwoord wordt aangegeven dat de overheidsfinanciën nu eenmaal zijn ontspoord en dat forse ombuigingen nodig zijn. Men stelt dat het hierbij lastig te mijden is dat, als bezuinigd wordt op overheidsuitgaven, juist diegenen geraakt worden die geld van de overheid krijgen. Ondoordachte bezuinigingsdrift is de drijfveer van zeer veel kabinetsbeleid. Voor het gemak wordt niet vermeld dat bezuinigen keuzes impliceert.
Dit kabinet kiest voor sprokkelwerk waarbij bij uitstek zwakke groepen getroffen worden. Verstandiger en ook socialer beleid zou zijn de echte problemen van onze samenleving onder ogen te zien en daar creatieve oplossingen voor te bedenken. Het taboe op het spreken over de hypotheekrenteaftrek is daarbij veelbetekenend. Doordat de diverse bezuinigingsvoorstellen gepresenteerd worden in een reeks aparte wetsvoorstellen, is het buitengewoon lastig om na te gaan in hoeverre bepaalde groepen cumulatief getroffen worden. De bewering van de regering dat het allemaal best goed komt, vraagt een geloof dat mijn fractie vooralsnog niet kan opbrengen.
Laat mij middels een voorbeeld aangeven waarom. Ik vraag met name aandacht voor de positie van de ongeveer 40.000 ouderen die een onvolledige AOW-uitkering hebben, geen vermogen bezitten en aanvullende bijstand krijgen. Het gaat dan voor 90% om allochtone ouderen, voor het overgrote deel afkomstig uit Turkije, Marokko en Suriname. Zij worden door het wetsvoorstel buitenproportioneel geraakt. Het gaat bovendien om mensen die er vaak ook om andere redenen beroerd aan toe zijn, door cultuurverschillen en gezondheidsproblemen. Het is treurig dat de bezuinigingsdrift deze groep mensen, die tot de armsten in ons land behoren, onevenredig zwaar treft en dat een overgangstermijn van drie maanden voldoende wordt gevonden om zich aan de nieuwe financiële situatie aan te passen. Het kabinetsbeleid munt hier niet uit in compassie. Hier wint de illusie het definitief van elke vorm van realiteitszin. Graag hoor ik de reactie van de staatssecretaris op mijn punten van kritiek. Dank u voor uw aandacht.


