De heer De Lange (OSF): Wetsvoorstel 31571 heeft maatschappelijk veel stof doen opwaaien en bij groepen burgers de nodige emoties losgemaakt. De hoeveelheid reacties uit de samenleving is aanzienlijk groter dan die bij alle andere wetsvoorstellen die in de afgelopen periode voorbij zijn gekomen. Als fractie hechten wij er dan ook aan, onze uitgangspunten helder te formuleren om ten aanzien van het al dan niet verbieden van onverdoofd ritueel slachten tot een afgewogen en goed onderbouwd standpunt te komen. De OSF kiest ervoor een strikt seculiere partij te zijn, die uiteraard de grondwettelijke vrijheid van godsdienst respecteert, maar uitgaat van het secularisme, waarbij kerk en staat volstrekt gescheiden dienen te blijven. Wij menen dat argumenten die expliciet aan een bepaalde godsdienst of bepaalde godsdiensten zijn ontleend,in het maatschappelijk debat geen overwegende rol dienen te spelen.
In dit verband zij opgemerkt dat wij de Franse opvattingen over "laïcité" of laïcisme delen. Het Franse laïcisme heeft een lange geschiedenis en is in zijn huidige vorm gebaseerd op de wet van 1905 waarin de scheiding van kerk en staat geregeld werden. Laïcisme impliceert vrijheid van godsdienst, maar weigert een speciale positie aan welke godsdienst dan ook toe te kennen. Godsdienst is louter een privéaangelegenheid van een inwoner van een seculiere staat. Laïcisme erkent slechts feitelijk de (godsdienstige) instituten of organisaties, als volledig vreemd aan de staat, en niet de godsdiensten zelf. Laïcisme is dus niet antigodsdienstig. Een laïcist kan gewoon een gelovig persoon zijn in zijn privéleven en hij mag zijn geloof openlijk belijden, maar in de inrichting van de staat spelen deze overwegingen geen rol.
Ten aanzien van de wijze waarop in onze samenleving dieren behandeld worden, heeft mijn fractie eveneens heldere uitgangspunten. Wij zijn geen principieel voorstander van vegetarisme en aanvaarden het consumeren van dierlijke producten door mensen. De evolutionaire voorgeschiedenis laat onmiskenbaar zien hoe de mens zich tot omnivoor ontwikkeld heeft, en onze fractie aanvaardt dit als een gegeven. Vanuit deze optiek is er dus ruimte voor het slachten van dieren en ook voor de jacht. Echter, bij al deze activiteiten dient zeer veel plaats ingeruimd te worden voor dierenwelzijn, waarbij waar dat maar enigszins mogelijk is, het lijden van het dier tot een absoluut minimum beperkt wordt. Dit uitgangspunt impliceert eveneens dat steeds opnieuw bezien moet worden in hoeverre oude technieken door nieuwe vervangen kunnen worden. In onze opvatting is het dan ook wenselijk dat gebruikte methoden regelmatig getoetst worden aan veranderende en nieuwe wetenschappelijke inzichten. In deze optiek is het minimaliseren van het dierlijk lijden bij slacht en jacht een voortdurende opgave waarvoor mens en politiek continu gesteld worden.
Als we de geschiedenis overzien, dan is het invoeren van nieuwe methoden die mede beogen het dierenwelzijn te bevorderen, niets nieuws. Het is naar de mening van mijn fractie om dergelijke redenen dat onverdoofd slachten, daterend uit een voorbije periode toen andere oplossingen nog niet voorhanden waren, grotendeels vervangen is door verdoofd slachten. In de ogen van mijn fractie is dat een logische en onontkoombare ontwikkeling. Mijn fractie is van mening dat de wijze waarop onze samenleving het begrip dierenwelzijn probeert in te vullen, een continu proces is waarbij in de praktijk dit welzijn vaak wordt afgewogen of zelfs opgeofferd aan economische motieven of aan beperkte deelbelangen. De discussie over megastallen is in dit verband wel sprekend. Het is hier nu niet de plaats om het debat over megastallen te voeren. Wel is dit debat een illustratie van het feit dat bij een toenemend deel van onze bevolking de notie van dierenwelzijn een steeds groter gewicht krijgt. Ook het besef dat enorme schaalvergroting niet alleen dikwijls gepaard gaat met afnemend dierenwelzijn, maar zelfs tot gezondheidsproblemen onder mensen aanleiding kan geven, zal hieraan niet vreemd zijn. Dierenwelzijn is terecht een belangrijk onderwerp op de politieke agenda geworden, zoals het een moderne samenleving betaamt. In de natuurwetenschappen zijn zogenaamde gedachte-experimenten niet ongebruikelijk.
Laten we ook in het huidige geval eens een dergelijk gedachte-experiment uitvoeren.We kunnen onszelf de volgende vraag stellen: in het geval dat bepaalde godsdienstige groeperingen om onverschillig welke reden niet meer zouden bestaan, zou onder die omstandigheden het onverdoofd ritueel slachten tot op de huidige dag nog uitgeoefend worden? Ik waag dat ernstig te betwijfelen. Het ligt dan ook niet voor de hand dat argumenten anders dan van godsdienstige aard gevonden zouden kunnen worden ten gunste van het onveranderbaar handhaven van methoden die duizenden jaren geleden tot stand zijn gekomen. In een rationele wereld moet altijd ruimte zijn voor de implementatie van nieuwe toetsbare wetenschappelijke inzichten op basis waarvan oude rituelen aangepast of zelfs beëindigd worden. Sterker nog, een rationele wereld kan uitsluitend als zodanig functioneren op basis van heldere, objectief toetsbare criteria. Dit ontkennen met een beroep op eventuele openbaringen van een opperwezen die door hun aard niet toetsbaar zijn, is voor mijn fractie onvoldoende overtuigend. Mijn fractie kent daarom aan argumenten van deze soort in het publieke maatschappelijke debat geen groot gewicht toe. Ook zien wij niet in dat met het aanvaarden van het voorliggende wetsvoorstel de godsdienstvrijheid op onaanvaardbare wijze in het geding zou zijn. Wij zullen dan ook vóór het wetsvoorstel stemmen.


