logoosftoplsocial

osfyoutube

locomotie-46-160

woensdag, 28 december 2011 11:29

Vergadering 19 december 2011 'in achterkamertjes bekokstoofde gedoogconstructietjes'

De heer De Lange (OSF): De kans lijkt me aanzienlijk dat het voorliggende wetsvoorstel zal eindigen als een 3837-er. Men kan zo langzamerhand constateren dat in het licht van in achterkamertjes bekokstoofde gedoogconstructietjes met de term 3837-er staatkundige geschiedenis wordt geschreven. Ongetwijfeld zal terugbetaling in de vorm van het ridderen van enige weigerambtenaren en het verder beperken van het aantal koopzondagen op termijn zichtbaar worden. Deze ultraliberale ontwikkelingen, in combinatie met de door sommigen diepgevoelde noodzaak om met 130 km/u over onze overvolle autowegen te razen, wettigen onmiskenbaar het vertrouwen dat het met Nederland eindelijk de goede kant op gaat. Zo is het toch?

Laten we, alvorens cynisch te worden, teruggaan naar het wijzigingsvoorstel van de Wet werk en bijstand en de samenvoeging ervan met de Wet investeren in jongeren, gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen  verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden. De titel alleen al suggereert dat er veel overhoop wordt gehaald, en zo is het ook. Aan de Eerste Kamer, het wetsvoorstel te beoordelen op rechtmatigheid -- waaronder rechtszekerheid --  uitvoerbaarheid en haalbaarheid. Maar om te beginnen maak ik een aantal opmerkingen over de maatschappelijke context. Allereerst moet het onze fracties van het hart dat onze eerder uitgesproken verontrusting over het feit dat het voorstel  samen met een lange reeks van andere voorstellen als spoedeisend is gekwalificeerd door de memorie van antwoord niet is weggenomen. Nog steeds wordt op zijn minst de suggestie gewekt dat het tijdig halen van een bezuinigingsdoelstelling  voorrang geniet boven zorgvuldigheid. Ook de samenhang met wetgeving die nog in voorbereiding is, is aan de orde. In dit verband baart het ons grote zorgen dat de voorgenomen Wet werken naar vermogen geheel onafhankelijk van de huidige wetgeving behandeld wordt. Dat maakt de taak van de Eerste Kamer nodeloos ingewikkeld zo niet onmogelijk. Graag een reactie van de staatssecretaris.

Gedurende een lange reeks van jaren heeft onze samenleving zich steeds meer ontwikkeld in de richting van toenemende individualisering. Het nu voorliggende wetsvoorstel betekent op dit punt een aanzienlijke trendbreuk door de invoering van het begrip huishoudinkomen en het actief toetsen daarvan. Hiermee worden mensen die zich in een uitkeringssituatie bevinden in een totaal andere situatie geplaatst dan de rest van de bevolking. Er ontstaan dus twee categorieën Nederlanders, één met vergaande en ideologisch onderbouwde individuele zelfstandigheid en onafhankelijkheid, een andere met afgedwongen onderlinge afhankelijkheid en onderworpen aan diverse vormen van controle en mogelijke financiële sancties. Als dat geen stigmatisering inhoudt, wat dan wel? Dat dit voorstel ver gaat, blijkt uit de zinsnede uit de  memorie van antwoord dat bij niet nakoming van de nieuw opgelegde verplichtingen van één van de gezinsleden het aan de gezinsleden is, elkaar hierop aan te spreken. Dat kan nog gezellig worden rond de familietafel. Het wetsvoorstel beoogt mensen uit een uitkeringssituatie aan te moedigen, aan het werk te gaan. Niemand die bij zinnen is, kan tegen een dergelijke intentie zijn. Werk is beter dan een uitkering. Maar door dat als een mantra te herhalen, komt een oplossing niet in zicht of  zelfs dichterbij. De kernvraag is natuurlijk welk werk dat dan wel zou moeten zijn. En daar doet de regering buitengewoon luchtig over. Ook het eendimensionale geloof dat financiële prikkels de snelweg naar arbeidsparticipatie plaveien wordt niet gesteund door de feiten. Voor een grote groep mensen aan de onderkant van de samenleving, dikwijls slecht opgeleid, langdurig levend in moeilijke omstandigheden en met een grote dosis maatschappelijke frustratie is uitsluitend financiële dwang niet het wondermiddel waar deze regering kennelijk op hoopt. Wat onze fracties node missen is een beleid dat mede gericht is op begeleiden naar werk. Werk, ik herhaal het, dat er dan wel moet zijn, op een realistisch niveau. De regering voert geen gerichtwerkgelegenheidsbeleid. De regering beseft dat door de huidige conjuncturele omstandigheden -- mijn fractie noemt dat gewoon crisis -- de gevolgen voor de arbeidsmarkt ongunstig zijn. Echter, roept men hoopvol, we moeten ons niettemin voorbereiden op de gevolgen van arbeidsschaarste. Over het wanneer en hoe, en voor wie, geen woord.

Ook over het feit dat in het zeer grote bestand van zzp'ers veel verborgen werkloosheid zit, spreekt deze regering bij voorkeur niet. Over datzelfde werkgelegenheidsprobleem noteren we nog een aantal curieuze opmerkingen. Volgens de memorie van antwoord heeft het wetsvoorstel niet tot doel om specifiek de instroom van goedkope arbeid uit Oost-Europa en instroom in de bijstand te beperken. Ook is het kabinet van oordeel dat indien uitkeringsontvangers kunnen werken, zij met voorrang naar de arbeidsmarkt moeten worden bemiddeld? Met voorrang? Op wie? En bemiddeld? Door wie? Het wetsvoorstel heeft curieuze en ongewenste gevolgen voor zowel jongeren als ouderen. Jongeren komen slechts in aanmerking voor een uitkering of ondersteuning bij het zoeken naar werk als zij geen door het Rijk bekostigd onderwijs kunnen volgen. De vraag is hoe dat door de jongeren moet worden aangetoond. De aanvraag van een uitkering wordt minimaal na vier weken beoordeeld. Het verkrijgen van de uitkering is afhankelijk van het oordeel van de gemeente of betrokkene zich voldoende heeft ingespannen om werk te vinden of onderwijs te volgen. Hoe de jongere dat moet aantonen, wordt aan de gemeente overgelaten. Duidelijk is dat willekeur op de loer ligt. Voor bepaalde ouderen zijn er eveneens grote problemen. Het voorstel om de termijn voor verblijf in het buitenland voor mensen met een AOW met een aanvulling uit de bijstand -- AIO'ers -- te verkorten van 26 naar 13 weken geldt niet voor ouderen met alleen maar AOW. Wij vragen ons af of hier geen sprake is van ongelijke behandeling. Graag het commentaar van de staatssecretaris.

De uitvoering van de wet wordt door de regering met een zucht van opluchting aan de gemeenten overgelaten. Mogelijke fraudeproblemen worden weggewuifd. Een voornemen van de regering is om gemeenten meer gelegenheid te geven tot het afleggen van wat eufemistisch huisbezoeken worden genoemd. Dat kan gezellig worden aan de voordeuren van onze prachtwijken. Over de kosten van dit soort in de ogen van onze fracties bizarre voorstellen wordt begrijpelijkerwijs niet gerept. Ook de vraag -- nou ja, vraag -- aan uitkeringsgerechten om een tegenprestatie naar vermogen te leveren, is een beleidsvoornemen waarvan de uitwerking wijselijk buiten beschouwing wordt gelaten. Bovendien worden bij dergelijke activiteiten zo veel onderling tegenstrijdige voorwaarden gesteld, dat ofwel de maatregel een klucht wordt ofwel dat er een kostbaar controleapparaat moet worden opgetuigd. Het wordt steeds leuker in onze steden en dorpen, want rechtse mensen likken zich er ongetwijfeld de vingers bij af. Een wetsvoorstel dat op een realistische wijze zou beogen mensen uit een uitkering te begeleiden -- begeleiden dus -- naar zinvol werk op een niveau dat past bij het vaak  lage scholingsniveau van mensen die zich jarenlang zonder perspectief bewogen hebben aan de onderkant van de samenleving zou zonder meer de steun van onze fracties krijgen. Het huidige ideologisch getinte wetsvoorstel waarbij de kennelijk weerspannige uitkeringstrekker met veel stok en weinig wortel de maar zeer ten dele bestaande arbeidsmarkt moet worden opgejaagd, is naar de mening van mijn fractie een monstrum dat onze samenleving nog verder in het slop dreigt te brengen. Een nieuwe 3837'er? Het zou wel eens een kil dagje voor Nederland kunnen worden. De staatssecretaris doet er wijs aan niet op de steun van onze fracties te rekenen.

Lees 277 keer
Log in om reacties te plaatsen